banner
Pagina in afdrukformaat
Wadvaren op de Weser
 

Van Marjan Vroom, varend op de "VAMOS" ontvingen we onderstaande reiservaring. Ze varen op een MacWester,een polyester kimkieler van 1 meter diep. Dit Engelse schip is rond 1970 gemaakt. De werf bestaat niet meer. In Nederland varen er slechts enkele tientallen schepen van.

Wadvaren op de rivier de Weser

(Berichten 39, oktober 2000)

Het instabiele, koude weer van de deze zomer nodigde niet uit om de beschutte Wadden te verlaten. De overvolle eilandhavens deden ons echter verlangen naar beschutte ankerplekken. Een gesprek met een Duitse eigenaar van ons type schip heeft de koers van onze vakantie toen bepaald.

In Wangersiel kwam hij aan boord: Martin, achternaam onbekend, van de MacWester "Ochtum". Wilde ons schip graag zien, want hij zeilde zelf net een jaar met zijn MacWester van exact hetzelfde type. Na het gewone 'bootjepraat' bleek, dat zijn thuishaven in de buurt van Bremen was, aan het riviertje de Ochtum. Het gesprek kwam toen al gauw op de Weser, waar hij in het weekend vaak vertoefde. Onze kaarten kwamen niet voorbij Bremerhaven en we vroegen ons af, of zo'n rivier wel leuk was. Kun je van de natuur genieten, of is het er te gekanaliseerd? Moet je steeds in havens liggen of zijn er andere plekken?

Martin pakte ergens onder uit het schip een set kaarten uit de tachtiger jaren met veel kringen en vlekken. Hij zette kruisjes waar niets was aangegeven en vertelde dat daar ankerboeien liggen; dat er een klein haventje is; dat je daar tussen de bomen zo mooi aan een steigertje ligt; dat je in die dode arm zo heerlijk op paling kunt vissen. Hij vertelde ook van de riviertjes die op de Weser uitkomen, over de mooie moerasgebieden in het achterland. En gaf ons toen zomaar die kaarten mee, wilde er niets voor hebben!

Nou, het weer bleef instabiel en we hadden nu erg veel zin om deze expeditie naar een onbekend gebied uit te voeren.

Verreweg het grootste deel van het vrachtverkeer komt niet voorbij Bremerhaven. En eenmaal voorbij Nordenham wordt de rivier relatief rustig met weinig bebouwing. De oever is een soort strand met een groot rietveld er achter en wilgenbomen. We zien kiekendieven zweven boven het riet. Tussen twee kribben vinden we ankerboeien en plotseling voelen we, dat we al een lange dag hebben gevaren. Voor de eerste keer gaan we dit proberen: voorzichtig aanvaren, tegen de plastic boei aanliggen, landvast erdoor, beleggen, klaar! Dat is makkelijk! Waarom hebben we dat niet in Nederland? Juist in geulen waar water blijft staan, maar waar ook een flinke stroom staat is dit ideaal. Liever dan het massale van grote havens en rijen-dik liggen.

De volgende ochtend regent het heel hard en we besluiten een haventje dichtbij te zoeken. Bij de kerncentrale willen we een zijarm van de rivier in: de Schweiburg. We bestuderen in alle rust alle boeien en palen met toptekens, vreemde bouwsels en palen op strekdammen. We vermoeden dat enkele bouwsels te maken hebben met de uitwatering van de kerncentrale en de controle op straling. Als je op de goeie manier kijkt, vallen alle tekens en symbolen op een logische positie en varen we rustig in een mooie straatje van prikken naar binnen. Een eindje verder liggen ook hier enkele meerboeien op het ruime water tussen de rietvelden. We varen het afwateringskanaal van Strohausersiel voorbij, ook al ligt hier een prachtige steiger, vele schepen en een leuk clubhuis. We nemen liever de volgende priel, waar we voorzichtig slingerend langs de prikken tussen het riet bij een paar kleinere steigers komen tussen de bomen. We kiezen een vrije plek. Dat is het voordeel van het vakantieseizoen in de binnenlanden: de vaste ligplaatsen zijn vaker vrij. We gooien snel de tent over de kuip en duiken onder in de kajuit bij een kop koffie en een boek.

Er zijn hier totaal geen voorzieningen zoals we dat normaal kennen: water achter slot en grendel, stroom alleen voor de vaste mensen, geen toiletten. Wel een leuke hoek met banken en tafel onder de bomen en een afvalemmer. Dit piepkleine haventje, waar ons schip van 9,5 meter nauwelijks kan keren, is vroeger een grote zeehaven geweest. Tot 1880 was de Schweiburg de hoofdstroom van de Weser. Tot vijftig jaar geleden werd de haven nog steeds gebaggerd en had een aantal grote schepen er nog hun thuishaven. 's Avonds wordt het weer zelfs mooi en zitten we in de kuip terwijl de bosuilen met hun jongen boven ons in de bomen zitten.

De volgende dag zeilen we door de Schweiburg tussen hoge rietvelden, waarachter we boerderijen zien op de Strohauser Plate. Deze plaat is beschermd natuurgebied en alleen laag omdijkt, de boerderijen liggen op een soort terp. Logisch: alles moet wel een paar keer onder lopen in de winter.

Als we de Schweiburg uitvaren kunnen we de Weser recht oversteken de Rechter Nebenarm in . Maar dit deel is afgesloten aan het eind. Daarom gaan nu alle zeilen bij om nog een paar uur opgaand tij te benutten. Aan de westoever krijgen we veel bebouwing en het stadje Brake. Langs de oostoever liggen af en toe vissersboten voor anker en zien we een natuurlijker landschap.

Elsfleth ligt ook weer aan een parallelgeul van de Weser, met daartussen het Elsflethersant. Dit stuk Weser is dan ook prachtig, met aan beide zijden natuurlijke oevers (zandstrand, riet en bosserijen), gelardeerd met radartorens en bakens in de kleuren rood, geel en groen. Vooral de architectuur van de vuurtorens en radartorens doet ons vaak versteld staan. Hier hebben techneuten zich eindelijk van hun artistieke kant laten zien!

We draaien voorzichtig het Woltjer Loch in: geen diepte op de kaart en we zijn na hoogwater, we willen niet ongewenst vastlopen. We gaan ankeren, maar helaas net op de rand van een geul. We dachten dat ons in het slappe slik niets kon gebeuren, maar vergaten dat met een getijverschil van vier meter er juist in het slik diepe geulen ontstaan. Zo liggen we dus vele uren onder een oncomfortabele hoek van 200.

Als we terug varen naar de Weser voelen we de kimkielen over beton schampen, gelukkig met weinig vaart. Op de kaart staat hier een streeplijntje, waar we op de oever aan weerskanten een soort kleine boothelling zien in het riet. We dachten aan een veerpontje, amfibievoertuigen of een veepraam. Pas later dringt tot ons door, dat we een weg hebben gezien (en eroverheen gevaren en geraakt), die een aantal uren rond laagwater kan worden gebruik!

In Vegesack, een voorstad van Bremen, is een grote jachthaven en langs de rivier de Lesum liggen veel drijvende steigers. Hier gaan we het gebied per fiets verder verkennen, want anders zouden we de mast moeten strijken. We fietsen over kronkelende dijkweggetjes, die vaak alleen fietspad zijn, maar ook druk worden gebruikt door skaters. We rijden langs riviertjes met leuke namen als Wümme en Hamme. Er is soms zelfs nog getij hier, het water stroomt lekker. Het landschap is dat van het ontgonnen veengebied, maar minder vlak en met meer bomen dan onze veenkoloniën. Het Teufelsmoor lijkt wel op de Prinsenhof bij Eernewoude. Veel kleine kanaaltjes, uitgestrekte moerassen en kleine meertjes. Er lopen leuke weggetjes doorheen en er varen enkele motorboten.

We hebben erg genoten van de Weser, met zijn slik, getijverschil van vier meter en grote stroomsnelheden. Als je de drukke vrachtvaart aan het begin van de rivier er voor over hebt, is er ook rust te vinden en mooie natuur. En in de gezellige havens werden we als zeldzame Nederlanders gastvrij verwelkomd.

Maar we hadden de tocht waarschijnlijk niet gemaakt, als we niet aan het begin van de vakantie Martin van de "Ochtum" waren tegengekomen en zijn kaarten en tips hadden gekregen. En we kunnen hem niet eens bedanken …

M.V.