banner
Pagina in afdrukformaat
Zeer vast door een visnet

Teun van Waart, Berichten 63, oktober 2006

Op donderdag 4 mei varen we met onze Ovni 36 "Aeolus" van Harlingen naar Ameland. Er staat een rustig oostenwindje, kracht 3-4 Bf. Het Kimstergat nemen we, schrapend over de bodem met alles ingetrokken, via de niet betonde noord-zuid route. (Op www.wadvaarders.nl, onder Wadvaren, vindt u hoe u dan precies moet varen en hoeveel water daar staat). Via een klein stukje Vingegat gaan we bij de V15 rechtuit over de platen richting kerktoren van Hollum. Onderweg pikken we de Kromme Balg weer op.

Bingo
Tegen de tijd dat we bij Nes zijn is het daar een klein uur na HW. We besluiten west van de veerdam te ankeren en droog te vallen. Omdat de wind naar het ZO gaat draaien willen we vrij kort achter de dam op de motor een plekje zoeken. Ook bij die ZO wind liggen we dan nog rustig. Terwijl we onze weg zoeken in water van 11 tot 14 dm diepte komt er plots een boink en gerommel van onder het schip en maakt de motor minder toeren. Die zet ik meteen in zijn vrij. Achter het schip drijft iets netachtigs en een afgebroken dun paaltje…. Bingo, net in de schroef! Boven water was 20 m van ons vandaan een paaltje te zien, daar gingen we ruim omheen. Maar onder water stond er kennelijk meer… Naar later bleek een staand net van 7 dm hoog, met stokken van ruim een meter boven de bodem.

Van de Brandaris hoor ik later dat er op het Wad een aantal vergunningen is uitgegeven voor vissen met staand want. Het nummer van de vergunning moet op de stokken staan. Dat klopt, die afgebroken stok heeft een nummer. Maar voorwaarde van de vergunning is wel dat ook bij HW de plaats van het net goed zichtbaar moet zijn. Maar behalve die ene stok stak er niets boven water uit. Tja…

Motor uit
De motor gaat uit en terwijl we langzaam voor de wind naar het westen drijven probeer ik vanaf het lage achterschip van de Ovni of ik het spul los kan trekken. Mooi niet, dus. Met het zwaard iets omlaag proberen we vervolgens, voortdrijvend op de wind, een ZW koers aan te houden, naar dieper water. Dat lukt niet, de wind en de lichte ebstroom zetten ons naar het westen. En daar wordt het steeds ondieper. Dan het anker maar uit. Om halfvijf, ruim een uur na HW, liggen we in 8 dm water. De Ovni drijft dan nog net. Volgens de getijgrafiek - gemaakt met het Excel programmaatje van de website - staat er dan 75 cm boven NAP. Er is die dag een paar cm verlaging, dus laat het 70 cm zijn. De volgende middag komt er 88 cm bij HW, dus dat moet lukken.

De eerste zorg is het net uit de schroef te krijgen. Rond 9 uur 's avonds kruip ik onder het schip. Het achterschip is vrij diep in de bodem weggezakt en er is maar weinig ruimte. Het meeste van het net is makkelijk los te snijden, maar tussen schroef en scheg zitten een massieve klomp die ik er niet tussenuit krijg. Later die avond maak ik de schroefas los van de keerkoppeling. De schroef kan dan naar achteren schuiven waardoor er meer ruimte ontstaat.

De volgende ochtend wurm ik in passende kledij -een zwembroek- onder het achterschip. Op 5 mei was er nog niet veel zomer voorbijgekomen, dat wordt dus een koele klus…. De vastzittende klomp blijkt te bestaan uit gesmolten nylon van het net, een gesmolten groen kunststof lijntje en uitgesmeerde loodgewichtjes. Alleen met het blad van een ijzerzaag valt het zaakje door te zagen. Dat lukt en twee uur later ben ik weer opgewarmd en zit de schroefas weer op zijn plek.

Om halftien, het is dan LW, meldt de Brandaris een verlaging van 25 cm. En de wind, inmiddels ZO, zal in de loop van de dag toenemen van 4 naar 5Bf. Dat betekent dus nog meer verlaging! Volgens de getijtafel komt er dus 88 cm boven NAP bij HW. Maar als er door die verlaging maar krap 6 dm komt komen wij wellicht niet weg! Waar wij liggen is het dan krap 7 dm diep. En dat is kantje boord.

Stappenplan
De eerste stap is het uitbrengen van een anker aan een hele lange lijn naar dieper water. Want op de motor alleen komen we zeker niet van de plaat af. Het anker komt op 100 m afstand op 3 dm dieper water te liggen. Normaliter gebruik ik geen ankerboei op getijwater, de kans dat het schip over de boei drijft en dat die ergens achter blijft haken is te groot. Nu gaat er wel een boei aan, kunnen we zien waar we heen moeten. En als we hulp nodig hebben kan het sleepschip aan de ankerboei het anker oppikken en ons aan de ankerlijn lostrekken. Of halen wij met de ankerlijn de sleeptros naar ons toe.


Het anker ligt, met ankerboei, aan een lange lijn op een dieper punt.

We gebruiken ons tweede anker aan een gewone lijn, niet het hoofdanker met ketting. Het anker wordt namelijk haaks op het schip uitgebracht en de ketting (die bovendien te kort zou zijn) kan je dan niet onder spanning binnenhalen. Een ketting voorloop is ook niet nodig: de ankerlijn staat praktisch horizontaal. De ankerlijn gaat om de voorbolder en via het genuaschootoog naar de schootlier. En nu maar wachten op HW…

De tweede stap is contact opnemen met de Brandaris. Mochten we niet op eigen kracht los kunnen komen dan hebben we wellicht de KNRM nodig. Want de volgende dag komt er nog minder water, en is de wind nog steeds ZO. Ik bel de Brandaris (0562-443100) om te overleggen. Dat doe ik bewust niet via de marifoon. Overleggen via de telefoon gaat makkelijker. En ik heb er geen behoefte aan dat de hele wereld weet dat er mogelijk een probleem is. En zich hongerig op ons stort om ons te "helpen".

Met de Brandaris spreek ik af dat als we net voor HW Nes nog niet los zijn, ik weer contact met ze opneem. Dan zullen ze de KNRM waarschuwen, eerder niet.

De derde stap is het maken van wat foto's. Dat gebeurt als laatste, toen alle andere zaken waren opgelost. Amateuristisch of juist professioneel? Nou, ja, het gebeurde nog wel vóórdat ik aan de koffie ging…

Stijgend water en spanning
Een uur voor HW, als het water nog 1 dm moet stijgen, zet ik spanning op de ankerlijn. Er lijkt niets te gebeuren, maar even later hangt de lijn een beetje slap. Opnieuw spanning er op, en de boeg draait langzaam weer een beetje de goede kant op. Dat herhaalt zich een aantal malen totdat de boeg naar het zuiden, en de ankerboei, wijst.

Stonden we eerst achterop om de boeg te ontlasten, nu gaan we beide voorop staan zodat de scheg, het diepste punt van het schip, zo hoog mogelijk komt. Vanaf de kant moet het er raar uitzien: samen voorop, iedere paar minuten loop ik naar achteren om met de schootlier weer wat spanning op de lijn te zetten, en dan weer snel samen in de preekstoel gaan zitten. Er staat een stevige ZO wind die, in dit geval gelukkig, wat golfslag geeft. En de boeg- en hekgolf van de veerboot helpen deze keer ook in plaats van dat ze hinderen.

Heel langzaam kruipt de Ovni naar dieper water. Het eerste stuk van de plaat is volkomen vlak, en er staat daar maar 65-70 cm water. Dus het schiet niet echt op. En je zet zoveel mogelijk spanning op de lijn, die staat snaarstrak. Maar té strak mag ook niet, anders breekt het anker uit en zijn we nog verder van huis….

Anker uitbreken
Maar het gaat allemaal goed, meter voor meter schuiven we op en na een half uur liggen we drijvend bij het anker. We melden dit eerst bij de Brandaris, die ons een verder rustige en ontspannen tocht toewenst. Het anker blijkt vreselijk vast te zitten. Tja, wat wil je… Met de boeg recht boven het anker en een strakke ankerlijn breken we op de motor het anker los.

Even later varen we onder zeil via de Blauwe Balg richting Vlieland. Die avond liggen we in de Vlielander Balg achter de Richel. Op diep water. Droogvallen doen we die dag maar niet meer.


Onder het achterschip is maar weinig ruimte…