banner
Pagina in afdrukformaat
Lente op Simonszand

Van: Toine Heijmans, uit: Berichten 65, Copyright De Volkskrant

Bijna waren we erin getrapt.

Toen we vertrokken was de sluis verlaten. Kotters lagen voor de ijsfabriek. Het was nog februari en zes graden boven nul met regensluiers in de lucht. We kwamen niemand tegen. Geen bootjes die voor een wantij lagen, geen garnalenvissers en geen kokkelaars. De boeien schommelden zichzelf in slaap. Alsof iedereen het geheim al kende, behalve wij.

Zeilers zijn aparte mensen. Zodra de herfst komt, stoppen ze ermee. Dan hijsen ze hun bootjes op de wal en wachten huiverend af. Maanden staan de bootjes op een bok, als zwanenkuikens, angstig in een hoek gedreven. Soms komt een zeiler langs en inspecteert zijn bootje, poetst het wat. Hij heeft een lijstje bij zich met de werkzaamheden: nieuw anker kopen, teakdek vervangen, bilge schoonmaken, helmstok lakken. Pas in april, als de lente komt, gaan de bootjes allemaal het water in, zeilen ze blinkend weg en denkt niemand meer aan de verloren maanden.
Wij konden niet meer wachten. De lente was dichtbij. Ze lonkte ons het water op; het licht werd zacht, de watervogels waren druk. Sommige hadden al een nest gebouwd; daar moesten alleen nog eieren in. Ze schrokken van ons bootje, en van onze hardgele zeilpakken. We hoorden daar nog niet.

Maar de wind was goed en duwde ons steeds verder. De deining hield zich koest. De vloed tilde de boot omhoog, over het wantij heen. We rilden; het vocht kroop onder onze jassen en maakte onze handschoenen klam maar we wisten dat de lente niet ver weg kon zijn en zeilden naar het noorden, naar Simonszand.
We zagen eerst de vogels en toen de plaat, met de branding er omheen. We zagen de zeehonden liggen, als stenen op het zand. Het was exact hoogwater, de zee stond even stil. We wisten van een toegangsweg, een smalle, onbestaakte geul, die naar een lagune leiden zou. Een lagune in de winterzee. We kenden de verhalen maar waren er nooit geweest. We voeren langs de plaat en tuurden in de branding en zagen eigenlijk niets dat op een doorgang leek.

Toen kwam de lente. Ze liet wat zonnestralen vallen op Simonszand. De zeehonden kromden hun lijven, wij ritsten onze pakken open. Ze kleurde de lagune blauw en toonde ons de geul – een smal pad tussen de brekende golven door. Kom maar, fluisterde de lente. Er kan je niets gebeuren. We twijfelden – de kiel raakte het zand. De lagune was nu heel dichtbij. Het moest er heerlijk zijn. Maar wie vastloopt in de branding komt misschien wel nooit meer thuis.
Geen zorgen, zei de lente, daarbinnen is het mooi. Kom toch! Het zand is warm, het water ook. We voelden het bedrog in de zwakte van haar zonnestralen, en keerden om.
Op slag was het weer koud, de lucht vol donderwolken. We ploegden ons bootje naar de kust. We vochten tegen de ebstroom en de tegenwind en ergens in de modder bleef het bootje steken en viel het droog. De haven zouden we niet meer halen. We waren de lente kwijtgeraakt, maar hadden haar ook weerstaan.


Toine op het Wad. Foto:Toine Heijmans