banner
Pagina in afdrukformaat
Expeditie Rottumeroog

Datum: 17-10-2017
Van: Eilard Jacobs

Onbewoonde eilanden hebben sowieso veel aantrekkingskracht en al helemaal op Wadvaarders, vooral als je er niet mag komen. Hoe vaak hebben we niet varend over het Groninger Wad verlangend gekeken naar de beloftevolle hoopjes duin aan de noordelijke horizon? Maar Staatsbosbeheer organiseert wél excursies er naartoe, zouden we niet een keer met onze eigen boten een excursie naar Rottumerplaat kunnen organiseren? Nee dus, daar is geen toestemming voor te krijgen. Dan maar next best: met een reguliere excursie mee met een groep Wadvaarders.

Op 3 oktober 2017 was het zover. Niet eens belachelijk vroeg in de ochtend schepen we ons in op de Noordster in Lauwersoog om ons door Louis naar ons eiland van verlangen te laten brengen. Op eigen kiel zouden we gezien het tij uren eerder in het donker hebben moeten vertrekken dus dit is zo slecht nog niet. Dat het oktober is laat het weer duidelijk merken. West 5-6, fraaie opklaringen en stevige buien, daar moeten we het mee doen. Gisteren woei het nog harder en dus hebben we ruim een halve meter verhoging van de waterstand. Best handig als je drie wantijen moet passeren. Onderweg halen verschillende Wadvaarders dan ook hun mobieltjes uit de zak om met behulp van de navigatie app te controleren of Louis wel de goede afsteekjes maakt. Nou laat dat maar aan de schipper over.

Ondanks de stevige gang van de Noordster en de afsteekjes is het toch wel bijna drie uur varen tot onze aanlandingsplaats. Door het hoge tij staat daar echter nog teveel water, dus ankeren we maar en worden de lunchpakketten uitgedeeld. Wachten op het tij is met een beroepsschip niet anders dan met een recreatieschip: dat vraagt geduld. Maar dan is het zover. De schipper zet de punt op de plaat en de trap gaat uit: we kunnen overboord.

Het eerste deel van de tocht is wadlopen geblazen. Een mooi hard grondje, dat wel. In de buurt van het eiland zakken we iets meer weg, maar als wadvaarders weten we natuurlijk dat het heel wat erger kan. We verzamelen in het “bushokje” in een duinpan. De wadschoentjes kunnen uit en de wandelschoenen aan. Onder leiding van boswachter Frank gaan we het eiland verkennen. Het onderkomen van de vogelwachters is het enige andere gebouw. Wel is er natuurlijk nog de kaap die we nu eindelijk eens van dichtbij kunnen zien. We beginnen met een korte strandwandeling. De duinen zijn ten opzichte van de bewoonde eilanden laag, maar verder ziet het strand er niet anders uit dan op Schiermonnikoog of zo. Wel liggen er hier en daar bakstenen als residu van mislukte pogingen tot kustverdediging. Door het hoge tij is onze “waltijd” wat bekort en we steken daarom algauw door naar de kwelder. Vogels zien we nauwelijks, dat is namelijk juist de reden dat we nu wel op het eiland mogen komen. De plantengroei is nog wel te bewonderen. Niet uitbundig maar soms wel bijzonder, zoals de duinstinkzwam. Op de kwelder geeft de afstervende zeekraal een prachtig rood effect. Voor de rest moeten we het vooral doen met enthousiaste beschrijvingen van onze gids hoe mooi het in het voorjaar gekleurd kan zijn. Maar er zijn nog wel zeeasters (die in Zeeland lamsoor worden genoemd) en lamsoor (waarvan we niet weten hoe dat in Zeeland wordt genoemd). De slenken lopen ongerept door de kwelder en zorgen voor een fotogeniek plaatje. Er is zelfs een slenk die met een wash-over dwars door de duinen met de zee in verbinding heeft gestaan.

Maar het tij wacht niet en we trekken de wadschoenen weer aan om aan boord te gaan. Daar heeft Louis met zijn bemanning voor warme om niet te zeggen hete soep gezorgd. Daar zijn we ook wel aan toe. We blijven nog even liggen na de soep om voldoende water voor het eerste wantij in het Boschgat af te wachten en dan gaan we op pad. Nu tegen de straffe westenwind in. Nog even zijn we als passagiers nodig als we over het nog te droge wantij moeten. Door massaal op de punt te gaan staan licht de scheg net genoeg om ons er overheen te ploegen. Het verzoek om dit te doen wordt door een van de begeleiders wat beschroomd gedaan (“het is geen grap”), maar wij als Wadvaarders kijken er echt niet van op. Na het wantij kan het gas er op en wordt het dek minder aantrekkelijk vanwege het buiswater. De drie uur durende terugtocht beleven we onderdeks. Als we iets na negenen minder beweging in het schip voelen en door het stuurboord raam het groene schijnsel van het havenlicht waarnemen (of door het bakboord raam het rode) is het duidelijk dat aan de Wadvaarders expeditie naar Rottumeroog een einde is gekomen.