banner
Pagina in afdrukformaat
Zeepieren
door Rian Rensen-Bronkhorst (Uit: Berichten 65)
  
                                                 Hier woont een zeepier
    
De zeepier (Arenicola marina) wordt vaak in een adem genoemd met zagers als aas om te vissen. Beide zijn verwanten van de regenworm. Vergeleken met de zager, die actief op voedsel jaagt, lijdt de zeepier een gezapig leventje. Hij brengt zijn leven – hij kan wel zes jaar oud worden – voor het grootste deel door in een u-vormige buis in de wadbodem. De wanden van deze buis zijn voor de stevigheid met een soort slijm bekleed. Op geschikte plaatsen, zoals de slikkige wadbodem, zijn wel twintig tot zeventig zeepieren per m2 te vinden. Op die plaatsen vind je trechtervormige gaatjes en wormvormige hoopjes, de voor- en achterdeur van de zeepierenwoning. Het dier, dat ongeveer twintig centimeter lang kan worden, ligt meestal in het horizontale deel van de buis met zijn staartstuk omhoog en de kop aan het einde van het horizontale deel.
 
Leefwijze
Net als de regenworm voedt hij zich met organische stoffen die zich in zand bevinden. Zolang er water boven de gang staat, pompt de zeepier water door zijn woonbuis. Hij kan dan via zijn waaiervormige uitwendige kieuwen – in twee rijen langs het middelste deel van zijn lichaam – zuurstof uit het water halen. Ook haalt hij uit dit water zijn voedsel. Grote hoeveelheden zand passeren daarbij zijn darmkanaal, die balast moet er ook weer uit. Dat zijn de kronkelige hoopjes zand die je op het drooggevallen wad ziet liggen. Bij de kop gaat het zand er in, aan het einde gaat het er weer uit. Daartoe moet de zeepier zijn staartstuk boven het oppervlak uitsteken. Dat is een heel gevaarlijk moment. Krabben en platvissen zoals schol en bot zijn namelijk dol op die staartstukken. Ze worden aangelokt door de geur die de zeepier verspreidt. Als ze de kans[ krijgen, bijten ze de staartstukjes af. Gelukkig hebben eenvoudige levensvormen zoals de zeepier een groot regeneratievermogen: de staartstukjes groeien gewoon weer aan! Gemiddeld verliest een zeepier drie tot vier keer per maand zijn achterste. In hun ongeveer zes jaar durende leven is dat dus ruim meer dan tweehonderd keer, ga daar maar eens aan staan. Steltlopers met hun lange snavels kunnen het hele dier te pakken krijgen.
Als er geen water meer boven de woongang staat, kan er geen water meer rondgepompt worden. Hij kan dan overschakelen naar een stofwisseling zonder zuurstof. Zeepieren kunnen zuurstofloze periodes van wel vijf dagen overleven. Dat zijn echt uitzonderingen, meestal staan de gangen maar enkele uren droog.
 
Levensloop
Als zeepieren twee jaar oud zijn, worden ze geslachtsrijp. Dat is voor een dier dat ongeveer zes jaar leeft een lange tijd. Ze planten zich maar eenmaal per jaar voort, in de nazomer en de herfst. In tegenstelling tot de regenworm en veel andere ringwormen zijn zeepieren, net als de zagers, mannelijk of vrouwelijk. De vrouwtjes leggen hun eieren onder in de woonbuis. De mannetjes produceren hun sperma kort na laagwater zodat het weinige water dan een hoge concentratie zaadcellen bevat. Dit water pompen de vrouwtjes door hun woonbuizen zodat de eitjes bevrucht kunnen worden. Uit een bevrucht eitje groeit een larve die na enige weken uit de woonbuis kruipt en zich door de stroom laat meevoeren. Op een beschutte plek brengen de larven de winter door, hetzij in een slijmkokertje hetzij vastgehecht aan bijvoorbeeld zeewier. Ze voeden zich met allerlei organisch materiaal. In het voorjaar verlaten ze hun winterschuilplaats en laten zich weer door de stroom meevoeren. Ze vestigen zich dan op hooggelegen slikkige plaatsen. De eerste zomer groeien ze van een lengte van ongeveer 6 mm in het voorjaar tot 30-60 mm in het najaar. In de tweede winter verhuizen ze naar dieper gelegen plaatsen waar ook de volwassen dieren te vinden zijn.
Als het zeewater kouder wordt, vertrekken de volwassen dieren naar de diepere delen van het wad. Ze doen dit zwemmend waarbij ze een slingerende beweging maken met hun staart naar boven. Deze trektochten vinden ’s nachts plaats, waardoor hun belagers veel minder kansen hebben. Behoorlijk uitgekiend gedrag voor zo’n betrekkelijk simpele levensvorm!