banner
Pagina in afdrukformaat
Scholeksters
Rian Rensen-Bronkhorst, tekening Rian R.-B. (Uit: Berichten 66)
 
Je kunt je de Waddenzee nauwelijks voorstellen zonder de luidruchtige scholeksters, ze worden ook wel bonte piet genoemd. Zodra het rond je boot droogvalt, zijn ze er: zwarte kop, rug en ‘schouders’, witte buik en borst, stevige koraalrode snavel. Rustig voedsel zoeken wisselen ze af met merkwaardig in een groepje als gekken heen en weer rennen waarbij ze luid ‘tepiet, tepiet, tepiet …’ roepen terwijl rug en kop een bijna horizontale lijn vormen en de snavel recht naar beneden wijst.
Hoewel de scholekster nog steeds een zeer algemene broedvogel is, neemt hun aantal opvallend af. Dat wordt geweten aan de toenemende voedselschaarste in de Waddenzee. Of moet het omgedraaid worden en moet je zeggen: ”teveel vogels willen leven rond de Waddenzee, meer dan de Waddenzee aankan”?
 
Territorium
Als je ze zo al voedsel zoekend ziet, allemaal met de kop naar dezelfde kant, altijd met voldoende afstand tot elkaar zodat in geval van nood iedere vogel tijdig op kan vliegen, kun je je niet voorstellen dat ze een heftige strijd voeren om het beste territorium. Een goed territorium verzekert namelijk de ouders van voldoende voedsel van goede kwaliteit. Wie een nestplaats kan vinden dicht bij het wad, hoeft bij het zoeken van voedsel veel minder moeite te doen dan een scholekster die verder weg in de duinen moet broeden of misschien wel ergens op het platte dak van een garage. De vogels die daar broeden, kost het foerageren veel meer tijd waardoor het nest ook langer alleen gelaten moet worden. Daardoor zijn eieren en jongen ook een gemakkelijker prooi voor allerlei rovers die trouwens op hun beurt ook weer op zoek zijn naar voedsel voor hún jongen. Misschien is wel het grootste voordeel voor vogels die vlakbij het wad nestelen dat ze hun jongen al heel snel kunnen meenemen naar het wad. Dat scheelt heel wat heen en weer vliegen.
Scholekster blijven hun leven lang bij elkaar en zijn zeer gehecht aan hun territorium. Ze blijven terugkeren naar dezelfde plaats, soms wel dertig jaar lang. Dat doen ze ook als de kwaliteit van het territorium duidelijk terugloopt.
Vermoed wordt dat een gunstig gelegen territorium ook wat nadelen heeft. De vogels moeten vroeg aanwezig zijn om hun plekje te bezetten en er gaat ook veel energie zitten in het verdedigen van die plek.
Niet alleen de ouders voeren een concurrentiestrijd met anderen, ook de jongen binnen een gezin zijn in een strijd om voedsel gewikkeld. Het meest dominante jong verdrijft zijn broers en zusters tot het volledig verzadigd is, daarna komen minder bazige typetjes pas aan de beurt. De jongen lager in rangorde hebben dan ook meestal een lager gewicht. Omdat ze veel meer bedelen en daardoor meer opvallen, zijn ze ook een gemakkelijke prooi voor bijvoorbeeld zilvermeeuwen. Deskundigen leiden uit deze concurrentiestrijd tussen de jongen uit één nest af dat er een duidelijk voedseltekort is voor scholeksters.
 
                                                           tepiet, tepiet, tepiet... 
Voedsel
Een geoefende volwassen scholekster eet vooral tweekleppige schaaldieren zoals mosselen, kokkels, nonnetjes en zwaardscheden. Deze bevatten per portie het meeste eiwit. Krabben, die ook een goede eiwitbron zijn, worden ook gegeten. Verder staan op het menu nog wormen als wadpier en zager maar die zijn voedsel van beduidend mindere kwaliteit. De lichaamsbouw en de snavel van een scholekster zijn aangepast aan de grote kracht die nodig is om schelpdieren te openen. Ze zijn gemiddeld tweemaal zo zwaar als andere ongeveer even grote vogels. Hun poten zijn buitengewoon zwaargebouwd, hun snavel heeft de vorm van een stevige beitel. Overdag vinden ze op zicht de plaatsen waar kokkels zijn ingegraven, ’s nachts gebeurt dat op de tast. Hun snavelpunt heeft een goed ontwikkeld tastorgaan. Zodra de snavel op een schelpdier stuit, probeert de scholekster zijn snavelpunt tussen de schelphelften te wringen en de grote sluitspier te beschadigen. Lukt dat niet dan hakken ze een gat in het zwakste deel van de schelp.
Jonge vogels moeten van hun ouders leren schelpdieren te openen. Jongen die geboren zijn ver weg van de Waddenzee krijgen deze kunst dus nauwelijks onder de knie. Voor scholeksters geldt echt ‘wie geboren is als een dubbeltje zal nooit een kwartje worden’. Ze zijn klungels en blijven klungels die eigenlijk veroordeeld zijn tot voedsel van mindere kwaliteit, de brutaaltjes onder hen proberen wel voedsel te roven van de succesvollere soortgenoten. Soms lukt dat maar vaker krijgen ze een flink pak op hun donder. Meestal gaat het omgekeerd, succesvolle vogels roven van de sukkels als die ook eens een keer geluk hebben gehad bij het foerageren.
Het is ook bijna onmogelijk voor de nakomelingen van sukkels zover op de maatschappelijke ladder te stijgen dat ze een beter nestgelegenheid in bezit kunnen nemen dan hun ouders. Maar ook jongen van ‘beter gesitueerde ouders’ hebben veel tijd nodig om echt handig te worden in het verzamelen van voedsel. Waarschijnlijk duurt het daarom enkele jaren voor jonge vogels aan het broeden gaan. Voordat de oude vogels terugkeren naar het broedgebied scharrelen de jong volwassen vogels wel rond op mosselbanken maar zodra de oude garde terugkeert, verdwijnen de jonkies naar de minder voedselrijke plaatsen.
 
Tepiet-ceremonie
Als scholeksters hun territorium moeten verdedigen, nemen ze een merkwaardige houding aan: kop bijna in een lijn met de rug waarvan de veren opgezet zijn, de snavel recht naar beneden, terwijl er luid tepiet, tepiet, tepiet … geroepen wordt. Hiermee waarschuwen ze mogelijke indringers weg te blijven. Die indringers zijn vaak jonge vogels die geregeld een kijkje komen nemen in een geliefd broedgebied, mogelijk om bekend te raken met het gebied en om te onderzoeken of er een plaatsje te veroveren is. Als het tepieten in een troepje gebeurt, gaat het meestal om lang voortslepende conflicten tussen buren over de grenzen van het territorium. Geregeld komt het tot echt vechten waarbij de veren in het rond vliegen. Zo’n rel kan vaak bijna eindeloos voortduren terwijl er steeds andere vogels bij betrokken raken. De indringer is vaak al lang verdwenen terwijl het hele gedoe verder gaat. Er is blijkbaar steeds een aanleiding om door te gaan! Een mogelijke verklaring is dat vogels bij het verdedigen van het eigen territorium het territorium van een ander betreden.
 
Om met belangstelling naar een groepje scholeksters te kijken, is het voor mij echt niet nodig precies te weten wat al hun gedoe te betekenen heeft. Ik vind het gewoon leuk om te zien dat er (ook) voor scholeksters blijkbaar allerlei omgangsvormen gelden die strak gehandhaafd dienen te worden.