banner
Pagina in afdrukformaat
De Watjes van het Wad
 

Jaarvergadering Vereniging Wadvaarders, Zoutkamp

De Watjes van het Wad door Sieb Kemme (1/2002)

Op een mooie zonnige dag lag de zeehond lekker lui te zonnen bij paal 4 in het Poepegat.

Hij dacht bij zichzelf: ‘Ik zou best eens een brief willen schrijven. Van dit luie liggen word ik ook niet veel wijzer. Maar ik weet niet zo gauw aan wie. Trouwens als ik dat wel zou weten, waar moet ik dan over schrijven? Heb ik wel een onderwerp? Een gedicht zou nog wel gaan, maar een brief?’

Op dat ogenblik kwam de scholekster voorbij. Hij zag het nadenkende gezicht van de zeehond.

‘Kan ik je misschien helpen, zeehond?’

De zeehond tilde lui zijn kop op en zei: ‘Ik zou zo graag een brief willen schrijven, maar ik weet niet waarover en aan wie.’

Zoals iedereen weet, heeft de scholekster overal een passend antwoord op. Zo ook nu.

‘Oh, dat is heel gemakkelijk. Je zet rechtsboven "Paal 4 bij Poepegat" en de datum. Daaronder links schrijf je: "Aan mevrouw de Staatssecretaris, Regering, Den Haag". Daar weer onder: "Geachte mevrouw, ik vind er niks meer aan nu u de Wadvaarders van het wad hebt geknikkerd." En je eindigt op een nieuwe regel met: "Met vriendelijke groet, zeehond." Een afschrift stuur je aan mij.’

De zeehond vond dat een goed idee.

Maar het heeft helaas niet geholpen.

Inleiding

Het bestuur heeft mij gevraagd om u weer eens helemaal uit te lijnen, zodat we weer op één lijn komen te zitten over de principes van het wadvaren. De centrale gedachte daarbij is het gezegde: ‘De wadvaarders zijn de indianen van het wad.’ Omdat ik geacht wordt de vader te zijn van deze gedachte, denkt het bestuur dat ik ook de best aangewezen persoon ben om u weer in het rechte spoor te krijgen. Daar vergist het bestuur zich behoorlijk in. Maar dat merkt het wel aan het eind van dit verhaal. Trouwens, ik heb ze van te voren gewaarschuwd. Toch zal ik u eerst iets vertellen over de indianen van het wad. Vervolgens laat ik u zien hoe we er nu voor staan, als vereniging van bootjevaarders op het wad. Tenslotte doe ik een drietal suggesties hoe we verder zouden moeten.

Indianen op het wad

In onze huidige westerse cultuur heeft het woord ‘indiaan’ een positieve betekenis. Indianen leven in harmonie met de natuur. Ze hebben daar een duurzame relatie mee, om het maar eens in het huidige jargon te zeggen. Indianen laten geen sporen na. Het is een stereotiep dat goed past bij het idee van vrij en verantwoord varen op de wadden. Het gaat dus om het niet achterlaten van sporen. Niet je aanwezigheid zélf is het criterium, maar het effect dat je aanwezigheid heeft op de natuur. Dat effect kan per groep verschillen en kun je koppelen aan het directe economische belang van de betrokkenen. Voor recreanten op het wad kun je stellen dat hun aanwezigheid na één keer hoogwater moet zijn uitgewist. Voor de garnalenvisser zou kunnen gelden dat zijn spoor na één seizoen verdwenen moet zijn. Met andere woorden: de populatie garnalen is na één seizoen weer op het peil van het jaar daarvoor. Dat geldt ook voor boringen naar gas. Daar gaat het om een groot nationaal belang. Je zou in dat geval kunnen stellen dat de natuur zich na één generatie moet hebben hersteld van de ingreep. Een eventuele bodemdaling moet zich na 25 jaar op natuurlijke wijze kunnen herstellen door zandsuppletie. Heb je die zekerheid niet, dan moet je er niet aan beginnen.

Dit is in een notendop het idee achter de ‘Indianen op het wad’.

‘Te laat, te laat’ sprak Winnetou

Het begrip ‘indiaan’ heeft ook een negatieve betekenis. Indianen zijn de verliezers. In Noord Amerika leven ze in reservaten. In Zuid Amerika zijn ze de armsten en meest kanslozen van de samenleving. Ze zijn ten onder gegaan in onze Westerse cultuur. Ook deze betekenis van ‘indiaan’ is van toepassing op de Wadvaarders. Ik zal dat met enkele voorbeelden toelichten.

Bij het oprichten van de vereniging was de 200 meter maatregel al een voldongen feit, hoewel nog niet wettelijk vastgelegd. Evenals het verbod om droog te vallen op de Dellewal. Ondanks al onze acties en tamtam hebben we geen van beide maatregelen kunnen terugdraaien. Integendeel: de standpunten hebben zich verhard. Een harde handhaving van de 200 meter maatregel en van het droogvalverbod op de Dellewal is inmiddels een feit.

In een later stadium is door een agressieve actie van Greenpeace, die dankbaar werd omhelsd door het ministerie van LNV, een krakkemikkige regeling bij de Blauwe Balg door onze strot geduwd. Een alternatieve vaarroute van Terschelling naar Ameland, die geen enkele bedreiging vormde voor zeehonden en minder gevaar opleverde voor de wadvaarder, was niet bespreekbaar.

Bij het jaarlijks vaststellen van de afgesloten artikel 17- gebieden worden we bij herhaling buiten de deur gehouden. De opstelling van LNV is zonder meer onfatsoenlijk en getuigt van extreem machtsdenken. Natuurlijk heeft LNV de wet aan haar zijde om de procedure te volgen die ze nu volgt. Natuurlijk blijven zeehonden niet op dezelfde plaats liggen en met de natuurbeschermingswet in de rug kan LNV van jaar tot jaar eenzijdig vaststellen welke gebieden het beste afgesloten kunnen worden. Dat die wet tot stand kwam in een situatie waarin sprake was van een bedreigde diersoort en dat dit nu al lang niet meer het geval is, doet kennelijk niet ter zake. Jaren geleden heeft Peter Reijnders, de zeehonden ecoloog uit Texel, al op deze plaats opgeroepen tot het voeren van een discussie over het afsluitingsbeleid bij een sterk toenemende populatie. Tot nu toe is LNV daar niet echt toe bereid.

Wat te denken van het argument van mevrouw de burgemeester van Terschelling dat droogvallen een vorm is van wildkamperen en dus strafbaar? Bestuurlijk gezien heeft ze groot gelijk en is er geen verschil tussen wildkamperen en droogvallen. En bestuurders hebben geen boodschap aan de realiteit waarin de feiten anders liggen. Er is niks tegen wildkamperen als je dat netjes doet. En niet iedereen wil wildkamperen. Mensen zoeken elkaar en het comfort op. Voor droogvallen heb je een speciaal schip nodig en kennis van het wad. De meeste bootjevaarders willen liever een jachthaven met een douche en stroom aan de steiger. Maar aan inhoudelijke argumenten hebben bestuurders geen boodschap. Ze willen flink zijn en met hun doorgedrukte regels de situatie in de hand houden. Aan indianen hebben ze dan ook een broertje dood.

Wat te denken van de bekeuringen die zijn uitgedeeld naar aanleiding van het buiten de 200 meter liggen? Die zijn in strijd met alle afspraken die daarover in goed overleg zijn gemaakt. Het ging om een excessenregeling. Er zou worden ingegrepen als er duidelijk sprake was van een exces. Dat laatste uiteraard ter beoordeling van de verbaliserende personen. Het slappe verweer van de wadwachters dat een dergelijke afspraak geen wet is binnen de Natuurbeschermingswet negeert elke voorafgaande discussie op dit punt en is van een ongeloofwaardige botheid. Hoe was die discussie ook al weer?

Er zijn Wadvaarders die alleen maar varen en Wadvaarders die varen en soms droogvallen. Deze laatste groep zoekt de ruigheid van het wad en bestaat dus uit natuurliefhebbers en weet dus in het algemeen heel goed wat er wel of niet kan. Maar goed, soms gaat het mis. Daarvoor zijn er Wadwachters. Die kunnen waarschuwen en voorlichten. Dat zal in de meeste gevallen goed gaan. Maar soms dat niet. Dan kunnen ze verbaliseren met de wet in de hand. Er is dan wel duidelijk sprake van een verstorend incident. Niet zomaar van het overtreden van een afstandsregel. Zo gingen we met elkaar om. En zo hoort het ook. Zonder overleg je eenzijdig ontrekken aan een dergelijke afspraak, geldt als onfatsoenlijk in het normaal menselijk verkeer.

Wat te denken van het verhaal van Jörn van Boven in één van de laatste Berichten, die bij het Willemsduin enkele meters binnen de groene stippellijn lag maar wel buiten de borden en daarvoor ter verantwoording werd geroepen? Dat is toch een verhaal dat uitnodigt om met zijn allen de macht in Schier over te nemen en het eiland uit te roepen tot de Wadvaarders Vrijstaat: Wadvaardersoog. Wie de situatie ter plekke kent en weet wie Jörn is, die weet dat hij de natuur een dienst bewijst door daar met zijn prachtige zeepunter te gaan liggen. Veldwachter Bromsnor uit de TV-serie Swiebertje was dom, maar sportief. De Bromsnor die Jörn aanpakte kan alleen maar heel erg dom zijn geweest.

Wat is er dan bereikt? Niets, vanuit bestuurlijk oogpunt. Of toch iets, want het bestuurlijke wereldje weet nu dat we bestaan. Iets, want we mogen meepraten in allerlei clubjes. Iets, want bij een maaltijd en gezang troosten we elkaar dat het nog erger had kunnen zijn.

Maar we zien nu dat we in de houdgreep zitten van een een overheid met een brigadier-Bulle-Bas- flinkheid over zich, waarin het woord ‘gedogen’ uit het woordenboek is geschrapt.

Bestuurders en handhavers zijn niet zo onder de indruk van ons indianengehalte van vrij en verantwoord varen. Hoezo indianen van het wad? We zijn de sukkels, de watjes van het wad. We worden nog steeds in de hoek gezet van natuurcriminelen. Twee voorbeelden.

Stelselmatig wordt in publicaties, ook vanuit LNV, de indruk gewekt dat het kwetsbare wad in het seizoen wordt overspoeld met verstorende recreatievaartuigen. In het Jaarboek Waddenzee 2000 kwam ik voor het eerst concrete cijfers tegen over het aantal droogvallende schepen. Voor het gemak zijn de waarnemingen van drie teldagen bij elkaar opgeteld en vervolgens met stippen in een kaartje weergegeven. Zo zie je een dikke groene vlek bij de Engelsmanplaat die bij de argeloze lezer al snel de indruk zal wekken dat die hele plaat stijf vol ligt met bootjes. Dat het om minder dan 50 boten gaat in drie dagen bij mooi weer, zal niet snel tot deze lezer doordringen. Deze weergave is ronduit misleidend.

Nog bonter maakt de zeehondencrèche het in Pieterburen. Als voorbereiding op dit praatje bracht ik eindelijk een bezoek aan dit zeehondarium. In plaats van de vlag uit te steken over de geweldige ontwikkeling van de zeehondenpopulatie van de laatste vijf jaar is het daar nog allemaal treurigheid. In een grafiek vergelijken ze procentueel de groei van de opgevangen dieren met de groei van de totale populatie. De indruk wordt heel duidelijk gewekt dat de groei van het aantal opgevangen zeehonden bijna drie keer zo hard is gegaan dan de groei van het totale aantal.Hoe ze tot die procenten zijn gekomen is me tot nu toe een diep verborgen raadsel, maar kijk je gewoon naar de aantallen en zet je die om in procenten dan zijn de feiten:

jaar

Totaal

Pieterburen

procent

1994

1250

34

2.7

1996

1500

50

3.3

1998

2280

110

4.8

2000

3330

153

4.6

Er is dus wel een procentuele toename maar veel minder spectaculair dan wordt gesuggereerd. En wat te denken van het volgende citaat dat u zelf op de website van de crèche kunt nalezen: ‘In de zomermaanden varen duizenden zeil- en motorschepen de Waddenzee op en leggen vaak aan bij zandplaten of –banken die door zeehonden gebruikt worden.’ We weten nu dat er op een mooie zomerdag maximaal 600 varende schepen zijn gesignaleerd en dat nog minder dan 10% daarvan op zo’n dag is drooggevallen.

De mens en het wad

Maar helemaal onschuldig zijn we niet. Wie wel eens op Rottumeroog of Rottumerplaat is geweest, zal moeten erkennen dat de natuur daar uitbundiger en rijker dan op de andere eilanden. Omdat de afwezigheid van mensen de enige factor is die deze eilanden van elkaar onderscheidt, ligt de conclusie voor de hand dat die afwezigheid ook de oorzaak is van die rijkdom. Als je van mening bent dat de natuur een autonoom recht heeft om te bestaan, dus los van menselijke aanwezigheid, dan kun je daarmee rechtvaardigen dat er absoluut afgesloten gebieden bestaan. Ook vanuit een minder dogmatisch standpunt kun je die afsluiting verdedigen. De rijke natuur in dergelijke afgesloten gebieden biedt nieuwe mogelijkheden voor omringende gebieden. Ze zorgt voor een voortdurende bron van vernieuwing en herstel.

Even voor het overzicht, de recreatie op de Waddenzee kent een zonering in drie soorten gebieden:

- gebieden met geen of nauwelijks recreaties medegebruik, deze gebieden zijn niet of beperkt toegankelijk;

- gebieden met beperkt recreatief medegebruik, deze gebieden zijn wel toegankelijk maar het gedrag is gebonden aan regels;

- gebieden zonder verdere beperkingen, dat zijn voornamelijk de doorgaande diepwaterroutes.

De eerste categorie wordt van jaar tot jaar eenzijdig door het ministerie van LNV vastgesteld. Criterium daarbij is de aanwezigheid van broedende vogels (bijvoorbeeld sterns op het Rif) en zeehondenkolonies (bijvoorbeeld het Vierhuizergat). Binnen deze categorie vallen ook gebieden die door alle jaren heen zijn afgesloten, zoals Rottumeroog en –plaat. Bij een toenemende zeehondenpopulatie is te verwachten dat het totaal van deze gebieden steeds groter zal worden. De suggestie om ankerplaatsen aan wadvaarders toe te wijzen is een sluwe stap in die richting. Dat geeft LNV namelijk het argument in handen om met de rest te doen wat ze willen. We moeten ons daartegen tot het uiterste blijven verzetten. Wel zouden we kunnen streven naar het aanwijzen van permanente gebieden voor beperkt recreatief medegebruik. Dat zijn dus gebieden die nooit zullen worden afgesloten en volledig vrij blijven voor bezoek, mits men zich aan de geldende wettelijke gedragsregels van het niet verstoren houdt. Noem het ankergebieden of anti-artikel 17 gebieden of wadvaardersrustgebieden. Bijvoorbeeld het Vierhuizergat met bijbehorende platen, de wantijen, Simonszand, het Smeriggat en aanliggende stukken van Engelsmanplaat en Rif, de Blauwe Balg. Mochten zich zeehonden en broedende vogels vestigen in deze gebieden, dan bieden deze regels een mindere maar toch voldoende bescherming.

Maar dit voorstel is niet voldoende want het is onhaalbaar zolang er niet een bredere discussie op gang komt over de menselijke aanwezigheid op de Waddenzee. Ook de mens heeft recht op een eigen plek op die Waddenzee. Dat geldt voor garnalenvissers, handkokkelaars, wadlopers, eilanders, wadvaarders,… De Waddenvereniging vindt dat ook, maar toch niet erg van harte. Dat blijkt simpelweg uit haar standpunt over de 200 meter regeling. Als het haar oprecht menens was geweest met de menselijke aanwezigheid op het wad, dan had ze zich daadwerkelijk met ons verzet tegen een 200 meter regeling. Het gaat hier immers om een maatregel die slechts bedoeld is om de aanwezigheid van mensen op het wad te ontmoedigen. De regel heeft niets met het extra beschermen van de natuur te maken en is zelfs schadelijk voor de natuur.

Tot nu toe treft de overheid maatregelen per belangengroep. Het is een verdeel en heers politiek die wordt ingegeven door incidenten en de mode van het ogenblik. En temidden van dit vrije spel van belangen zijn wij maar kleine watjes. Er is nooit vanuit een gemeenschappelijk belang discussie gevoerd over de relatie tussen de mens en de waddennatuur. Het verdedigen van de menselijke aanwezigheid op het wad in de brede betekenis heeft alleen maar kans van slagen als de belangen zich op dit punt gaan bundelen en tot een gemeenschappelijk standpunt weten te komen. Misschien pakt de permanente Wadden Advies Raad deze handschoen op. Persoonlijk zou ik meer voelen voor het oprichten van een Stichting Mens en Wad met als doelstelling de menselijke aanwezigheid op de Waddenzee te garanderen als onderdeel van een duurzaam ecologisch systeem. Het gaat daarbij om het ontwikkelen van gedragscodes en regels die uitgaan van het effect van de menselijke aanwezigheid en niet van die aanwezigheid op zich.

Een andere mogelijkheid is het gebruik maken van de ontheffingsprocedures. De natuurbeschermingswet is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Maar met ontheffingen mag er veel meer. Bijvoorbeeld mogen de wadwachters sneller varen dan in de wet is aangegeven omdat ze daarvoor een ontheffing hebben en mogen garnalenvissers soms in geulen in afgesloten gebieden vissen. Ontheffingen worden individueel toegekend aan personen. Dus niet aan de vereniging als collectief. Wel kan de vereniging juridische steun verlenen bij het aanvragen van de individuele ontheffingen. In de beginjaren van de vereniging is dit wel aan de orde geweest en ik weet nog dat diverse ambtenaren daar behoorlijk zenuwachtig van begonnen te kijken. Wil dit voorstel kans van slagen hebben, dan moet het een en ander van te voren goed juridisch zijn uitgezocht.

 

Tot slot

Laten we wel wezen, de natuur op het wàd zelf is interessant, maar niet echt mooi. Mooi zijn de duinen en de kwelders op de eilanden. Maar daar varen we niet. Laat mij maar varen op dat wad, gewenst en ongewenst droogvallen en genieten van de rust en de eenzaamheid. Hoe eenzamer, hoe mooier. Het is het mooiste vaarwater van Nederland. Nergens vind je zoveel ruimte, zoveel variatie en toch zoveel beschutting. Vertel het aub niet verder. De eerste diender die bereid is een kilometer te lopen om mij te verbaliseren zal ik met drank en worst ontvangen.

De Staatssecretaris had bedacht dat het nu maar eens uit moest zijn met dat onwettige gedoe op die Waddenzee. Ze gaf haar personeel strikte orders om goed om zich heen te kijken en iedere overtreding te bestraffen. Maar al gauw kwam ze erachter dat dat onmogelijk was omdat ze daarvoor niet genoeg personeel in dienst had. Wat nu? Eén van haar ambtenaren kwam met een lumineus idee. Als je wespen kunt trainen om landmijnen op te sporen, dan moet je toch ook vogels kunnen trainen voor het signaleren van droogvallende wadvaarders?

De Staatssecretaris liet eerst het centraal comité van de aalscholvers bij zich komen. Want die zagen er indrukwekkend zwart uit. Maar die voelden daar niks voor. Dit was tegen alle collectieve afspraken in. Zonder duidelijke tegenprestatie en aanpassing van de CAO waren zij niet bereid tot verlenen van welke extra dienst dan ook. Sterker nog: als de Staatssecretaris zich niet krachtiger teweer ging stellen tegen alle vuige beschuldigingen van de vissers, dan zou ze nog eens gaan meemaken op welke wijze de aalscholvers in staat waren de vleugels in de wind te slaan.

Teleurgesteld riep de Staatssecretaris vervolgens het hoofdbestuur van de federatie van meeuwen bij zich. Op zich hadden deze geen principiële bezwaren tegen een toezichthoudende taak met opsporingsbevoegdheid op het wad. Maar ze zagen toch een klein praktisch bezwaar. De Staatssecretaris was ongetwijfeld op de hoogte van het feit dat het hoofdbestuur geen beslissingsbevoegdheid had in deze en dat de afzonderlijke verenigingen van meeuwen, zoals de Kokmeeuwen en de Lachmeeuwen, het uiteindelijke ja-woord moesten geven. Een internationale waddenmeeuwconferentie lag voor de hand in deze. Maar dan zijn we wel wat jaartjes verder. Misschien was het verstandiger om eerst de scholeksters voor deze klus te vragen.

De Staatssecretaris bedankte het hoofdbestuur voor hun positieve inbreng en wendde zich tot de scholeksters. Dat is weer een heel ander verhaal. Scholeksters zijn georganiseerd in families. Het is iedere familie voor zich. Dat was dus een heel gedoe op het ministerie. Met iedere familie moesten aparte onderhandelingen worden gevoerd en binnen die families was de eenheid vaak ver te zoeken. Over het algemeen zijn scholeksters wadvaarders goed gezind, zoals u weet. Dus veel animo was er niet om met het ministerie samen te werken. Maar sommige families gingen overstag voor de geboden beloning: 1 kg gereserveerde kokkels per melding van een drooggevallen wadvaarder. Dus als u droog ligt en er scheert een krijsende scholekster over uw schip die een vieze flap laat vallen, dan moet u maar denken: alweer een kilo kokkels verdiend.

 

Sieb Kemme, Zoutkamp 26 januari 2002.