banner
Pagina in afdrukformaat
Opruimen op de Wadden

Tekst en foto’s: Els Knol-Licht

Vrijdagmiddag, 4 jan. 2019. Onze telefoon gaat. ‘Het is zover’, is de mededeling van WimD, bestuurslid van de Stichting Vrienden van Rottumeroog en Rottumerplaat (SVRR). Of ik morgenochtend om half acht ook op kan stappen op de ‘Harder’ in de Eemshaven. "Maandag terug, hoe laat nog niet bekend. Slaapzak mee en wat eterij voor de vaarochtend. Voor de rest wordt gezorgd. Er kan maar een klein clubje mee, stuk of tien", zegt Wim. "Ik zeg: "Oh jee, ik moet zondag …, ik heb afspraken maandag…, helaas Wim, dat gaat niet lukken". En ik leg de telefoon neer. Niet lang er na bel ik hem weer op: "Wim, ik ga toch graag mee, weet je nog iemand die mij met de auto op kan pikken?" Ik had snel bedacht dat ik mijn afspraken kon verplaatsen en thuis nog wel paar dagen gemist kon worden. Een ophaler bleek ook snel geregeld te kunnen worden.
En zo geschiedde.

Net als iedereen waarschijnlijk en zeker elke Wadvaarder, wist ook ik van de overboord geslagen containers van het mega-containerschip ZOE in de nacht van 1-2 januari boven de Waddeneilanden. En van de juttersinstincten die ontwaakten op de eilanden, van Vlieland tot Schiermonnikoog, naarmate er meer spullen aanspoelden. De social media stonden er bol van, het journaal sprak erover, beelden kwamen voorbij: een ramp. Op de eilanden, langs de waddenkust, overal schoten vrijwilligers te hulp. Ik had mij al afgevraagd hoe het er bij Rottumerplaat en -oog nu uit zou zien. Al tig jaren ben ik donateur van SVRR, zit in de redactie van ‘De Kaap’, dat tweejaarlijks verschijnt, doe af en toe mee aan een werkdag op ‘Oog’, in 2003 een werkweek op ‘Plaat’. In de loop der jaren ben ik ook met diverse organisaties met excursies mee geweest naar Rottumeroog, met schipper Louis de Jonge (helaas, in jan’19 overleden) op de ‘Boschwad’, vanuit Noordpolderzijl tot het daar te ondiep werd, daarna vanuit Lauwersoog. Voor werkdagen met de Waddenunit van het Ministerie (tegenwoordig heet het weer LNV) aan boord van de ‘Harder’ vanuit de Eemshaven. Oog en Plaat zijn voor mij al enigszins bekend terrein geworden, ook al is het Verboden gebied, met de magie van onbewoonde eilanden. Ik sta op de lijst van het SVRR crisis-interventieteam, sinds mijn deelname aan de grootscheepse waddenoliebestrijdingsoefening in 2017. Vandaar het telefoontje. Dit kon ik niet laten lopen.

Voor wie er nooit geweest is: Rottumerplaat is een stuk groter dan Rottumeroog. Is de voogdenbehuizing van Rottumeroog in de loop der jaren verdwenen omdat het eiland afkalfde, op Rottumerplaat staan een aantal gebouwen verscholen aan het oosteinde van de duinkam, omringd door duin, met een duinovergang in het zuidoosten aan de wadkant. Met hoogwater kan een boot, zoals de ‘Harder’ dichtbij komen in een geultje. Het laatste stukje moet per rubberboot. Uitstappen met SVRR-lieslaarzen aan en je komt droog op het eiland, als je geluk hebt. Dan is het nog maar een tiental meters duinopgang over en je bent bij de Romneyloods, waarachter een accommodatie van geschakelde stenen gebouwtjes uit 1950, waar zo’n 20 mensen kunnen verblijven, eten, toiletteren en slapen. Primitief, maar toch, het nodige is er of wordt mee aangevoerd met de Waddenunit ‘Harder’. Zo ook nu, de proviandering voor 12 man en 3 vrouw, was mee aan boord gekomen voor twee dagen. Verzorgd door SVRR vrijwilligster Catrientje, die vaker meegaat als kokkin. Op = op.

Het vrijwillige gezelschap, bleek naast Catrientje en mijzelf, te bestaan uit nog een (jongere) vrouwspersoon, Heleen, zus van vogelwachter (op Rottumeroog) Erwin G. Hijzelf was als vrijwilliger van Staatbosbeheer mee. Van SVRR zijde nog 8 heren, veelal senioren, waarvan de meesten goed bekend zijn met het wad als wadgids. Ik was de enige ‘Wadvarende’, met langjarige wadervaring. De professionals, de ‘Harder’-bemanning, bestond uit LNV-ers Freek Jan de Wal en Jan Kostwinner en SBB-er Henk Schrik.

Het tij was van dien aard, dat we die ochtend noordelijk van de Ra, onder Zuiderduintjes langs, soms met de hakken over de sloot op naar de aanlandingsplek op de zuidoostpunt van Rottumerplaat konden koersen. ’s Middags na de lunch (de houtkachel was al opgestookt, met water meegebracht in jerrycans, de soep al heet gegeten) werd de helft van het gezelschap, gezeten op een plank in de bagagekar achter de tractor, door Freek Jan over het eiland naar het Noordzeestrand gereden, een koude hobbeltocht van ruim een half uur. Soms door een laagje slibbig water, diepe sporen, vrezend dat we zouden blijven steken. Maar het ging.
Het was grijs, miezerig weer, graad of zes en gelukkig weinig wind. Voorzien van plastic zakken en een voorraadje big bags, verspreid neergelegd boven de vloedlijn door de Waddenunitbemanning op het eindeloos lijkende, met troep bezaaide, strand. Een immense klus wachtte ons. Waar te beginnen, wat te rapen, eerst het meest schadelijke voor de natuur? De lichtste dingen, veelal piepschuim, eerst? Voor ze door een volgende hogere vloed of hardere wind hoger op het eiland verspreid zouden worden? De natte matrassen waren sowieso niet te tillen, de fietsspatborden staken onze vuilniszakken stuk, de miljoen grijze plastic korreltjes op de vloedlijn waren onmogelijk te rapen. Dan maar wat wel kon. Kindersportschoentjes t/m maat 30 (helaas, mijn kleinkinderen zijn al groter); damesslippers bij overvloed (ook in mijn maat, maar niet mijn smaak); plastic zakken vol roze babyslofjes (zoals alles zwaar van water en zand); kunststof speelgoed commando-uitrusting in een netje (helmpje, kogelvrijvest, mitrailleur, steekmes), ik gruw bij het zien ervan; namaak pluimgras in piepschuimpotten in plastic verpakt, gebundeld per drie (haast niet te tillen vanwege zand en water). Hilarisch, als het niet zo droevig was, de hoeveelheid in plastic verpakte, doorweekte, dus zware rollen gekleurde afscheurbare schoonmaakdoekjes. We konden er de hele Plaat wel mee poetsen als we wilden. Oneindig veel kunststof kaarsen, we voetbalden ze op het laatst tot hoopjes, om ze dan geknield op te rapen en in de zak te mikken.

De ene na de ander big bag werd gevuld, de tractor reed ondertussen af en aan met zwaar aangespoeld materieel, zoals compressoren, wie weet was dat nog van waarde. Wij bukten en raapten, sjokten, en stopten na uren. En keken vermoeid en verlangend uit naar het moment dat wij weer van het strand gehaald werden. Het begon al te schemeren, het miezerde bij tijd en wijle, blijven stilstaan is geen optie, daar word je koud van. Een opkikker kwam uit de rugtas van Aries, hij deelde zijn nootrantsoen, een zak vol vers gebrande noten, vrijdagmiddag nog gekocht op de markt in Groningen. Zo lekker heb ik/ hebben we ze niet eerder geproefd. Het zal tegen half zes zijn geweest dat we de tractorlichtjes aan zagen komen. Eindelijk, terug naar de relatieve beschutting, de warme kachel en de in het vooruitzicht gestelde warme hap. Alleen duurde die tocht terug lang, langer dan heen. Volle big bags werden vast opgepikt en hogerop gezet. We voelden de kou door de natte kleding heentrekken. Vingers verstijfden. De zee ruiste voort, bracht nieuwe spullen aan land. Er lag al genoeg voor morgen, en daarna en daarna. Daar wilden we nog niet aan denken.

De anderen hadden die middag, met lieslaarzen aan, geprobeerd lopend de geul aan de noordoostkant van het eiland over te steken, om daar aan de zeezijde de aangespoelde rotzooi te gaan opruimen. Dat oversteken zou op de heenweg niet droog gelukt zijn zonder de driewielbagagekar, die ook als bootje benut kon worden. Voortgeduwd door Jan K, die een droogpak aanhad. Het tij was zakkend, ook de ‘Harder’ stond begin avond hoog en droog aan de wadkant.

In de leefruimte snorde de houtkachel, de waterleiding en elektriciteit werden op gang gebracht, etensgeur prikkelde de eetlust, de kratjes bier, waarvan ik had gedacht wie heeft daar zin in op een dag vroeg in januari, waren niet voor niets mee: urenlang in de zeelucht had ons dorstig gemaakt. Hoewel de vochtig koude slaapkamertjes niet lokten zochten de meesten van ons bijtijds hun bed op. Zo niet de Waddenunit bemanning, die was nog tot laat bezig ervoor te zorgen dat we ’s nachts de wc konden doorspoelen en ‘s morgens warm konden douchen.

Ik sliep, ondanks de koude vochtige matras, dankzij twee slaapzakken, drie wollen dekens, een onder en twee boven, en tegen mijn gewoonte in ook sokken aan, als een blok. Had meer dan normaal veel moeite met het opstaan om zeven uur. Dat warm genoeg slapen was niet iedereen gegeven bleek ’s ochtends, toen een van ons, blauw van de kou, tegen onderkoeling aan, rillend bij de houtkachel, weer op temperatuur trachtte te komen. Helaas had hij de extra dekens in de kast niet ontdekt, de tweede nacht verliep dus beter.

Zondagochtend om negen uur zaten we, nu allemaal, op de kar, de natte kleding had ’s nachts gelukkig kunnen drogen in de warme Romneyloods. Regenkleding er bij aan, voorzover meegenomen, het miezerde weer tegen de voorspelling in. Op het strand kregen we nieuwe instructies: alles zoveel mogelijk rapen en in de big bags, zodat we, voor het oog ‘schoon strand’ achter lieten.Net als dag eerder kwam er ook nu een inspectievliegtuig over. We zwaaien uitbundig. Ze speuren vooral naar containers. Hoewel het heen en weer rijden veel tijd vergt, zijn we tussen de middag wel heen en terug gebracht naar de behuizing voor een warme lunch en even bijkomen. Het urenlang bukken, sjouwen en slepen ga je wel voelen. Gelukkig valt het met de kou relatief mee. En aan natte handen is niet te ontkomen. Alles wat je aanpakt is doorweekt, daar kan geen handschoen lang tegen (de mijne niet in ieder geval). ‘s Middags, wat een wereld van verschil, kierden af en toe zonnestralen door gaten in de bewolking. Wat is die wereld dan mooi: zand, duinen, zee, golven. Het deed mij extra genieten van het zien van het opgeruimde deel dat we gedaan hadden. Niet van het deel dat nog moest overigens, er lag nog zoveel, verderop ook. Teveel voor ons deze dagen.

Uiteindelijk hebben we aan het einde van de dag het resultaat vernomen van totaal 32 gevulde big bags. De Waddenunit bemanning had het er, na de boerenkool die avond, nog lang druk mee alle big bags met de tractor te verplaatsen en veilig te stellen op een hoger deel van het eiland. Er werd maandagavond Noordwesterstorm verwacht met springvloed. De ‘Harder’ werd die avond door Jan K., met hulp van Erwin, in het duister naar dieper water verlegd, zodat we met half tij opkomend water weg zouden kunnen maandagochtend. Een nachtelijke belevenis, vooral op de rubberboot terug, zoekend naar de prikken, zo vertelde Erwin. Magisch het zien van zeehonden op de bank naast het geultje met een infrarood camera.

Maandag in de loop van de ochtend voeren we terug naar de Eemshaven, deels blij met het ogenschijnlijke schone strand wat we hebben kunnen achterlaten, maar wetend dat er om elk hoekje, over elk duintje, nog zoveel ligt. Ook zoveel van die kleine plastic korreltjes, granulaat, basisstof voor matrijzen, die plastic producten in serie uitpoepen. Gevreesd wordt dat vogels ze wel oppikken, maar niet uitpoepen.

En op Rottumeroog was helemaal nog niet opgeruimd. Dat gebeurde later die week, door professionals van Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer, ook op Plaat. Al met al zijn zo’n 50 big bags en nog een heleboel grotere stukken van deze eilanden gehaald en aan land gebracht. De tijd zal leren wat er met de rest gebeurt.

Komend seizoen, wie weet zelfs nog jarenlang, zal er ongetwijfeld nog her en der op het wad restanten te vinden zijn wat terug te voeren is op de containerramp. De bij Berichten 103 verstrekte juteWadvaardersjuttas zal er niet handig genoeg voor zijn, de Wadvaarders’houhetwadschoon’-mentaliteit hopelijk wel. Het gaat toch het beste met een stevige plastic zak als je op een wadplaat wat vindt en mee wilt nemen aan boord om het aan wal netjes te dumpen.