banner
Pagina in afdrukformaat
Zeehond tot speerpunt

Ciska van Geer (ook de foto's, tenzij anders vermeld), 9 maart 2009

Populatie met pieken en dalen

De gewone zeehond (Phoca vitulina) kan de mens op het wad niet missen. Het grootste roofdier van ons land is een goed en veel bekeken bewoner van de Noordzee, Oostzee en Waddenzee, die in veel gevallen het eerste levenslicht op het wad heeft aanschouwd. Het vergaat de zeehond op dit moment uitstekend, maar de geschiedenis van de populatie van de gewone zeehond laat pieken en dalen zien. Rond 1950 leefden er zo’n 3000 gewone zeehonden in de Nederlandse Waddenzee, en in die tijd werden er in Nederland jaarlijks 500 tot 600 afgeschoten. Vissers zien zeehonden nu eenmaal als een concurrent, maar door een dramatische achteruitgang in de zeehondenpopulatie kregen in 1962 natuurwaarden een hogere prioriteit. De jacht op zeehonden werd verboden, althans in Nederland. Tot 1975 mocht er in Duitsland nog wel op zeehonden worden gejaagd. De voormalige jagers ontpopten zich tot beschermers en gingen zich over huilers ontfermen. De basis voor een zeehondenstation in Norden-Norddeich was gelegd. Ook elders werden opvangstations voor jonge zeehonden ingericht en er ontbrandde een discussie over het vrijlatingsbeleid. In de Nederlandse wet werd vastgelegd dat aangesterkte of in gevangenschap opgegroeide dieren binnen een half jaar na binnenkomst in de opvang klaar moesten zijn voor uitzetting in het wild. Het is duidelijk niet de opzet om gehospitaliseerde dieren aan de wilde populatie toe te voegen.

 
Foto: Frans Oostelbos
 
De omvang van de populatie gewone zeehonden in de Waddenzee nam toe, maar in 1965 zette opnieuw een daling in aantal in. Halverwege de zeventiger jaren bereikte de populatie een absoluut dieptepunt. Schattingen van aantallen op het Nederlandse wad liepen uiteen van 275 tot 500 dieren. Er werden slechts weinig jongen geboren en de dagen van de zeehond in de Waddenzee leken geteld. In Nederland zocht men de oorzaak van de teruggang in de vervuiling van het zeewater en als gevolg daarvan de opslag van PCB’s (polychloor-bifenylverbindingen) in het vet van de zeehonden. In Duitsland werd de oorzaak gezocht in het seismografisch onderzoek ten behoeve van aardolie- en gaswinningen en in een toename van de recreatieve zeehondentochten.
 
Maatregelen konden niet uitblijven. In ons land kwam een verbod op het gebruik en de lozing van PCB’s en DDT en in het Waddengebied werden “rust”gebieden voor de dieren ingesteld: zandplaten waar de dieren ongestoord zouden kunnen rusten, zogen en verharen. De natuurlijke populatie heeft zich na instelling van deze maatregelen voorspoedig hersteld. In 1987 worden zo’n 1000 dieren op het Nederlandse wad geteld.
Hoewel maatregelen ter beperking van de vervuiling van het zeewater aanvankelijk een daling gaven van de hoeveelheid schadelijke stoffen in de Waddenzee, werden sinds eind jaren tachtig concentraties gemeten die nagenoeg op hetzelfde niveau bleven. Vooral pcb’s blijken hardnekkig te zijn. Het gif hecht zich vast aan slibdeeltjes in het zeemilieu en laat nog steeds sporen achter. Inmiddels wordt er een verband gelegd tussen opname en opslag van PCB’s en andere schadelijke stoffen in de vetreserve van de zeehond en aantasting van het afweersysteem van het dier.
 
 
Monitoring
 
Om beter zicht te krijgen op die natuurlijke populatie zeehonden werd de behoefte aan informatie steeds groter. Sinds 1978 waakt een Trilateral Seal Expert Group (TSEG) over de zeehonden. Tellingen worden gecoordineerd en vanuit vliegtuigen in de Deense, Duitse (Schleswig-Holstein en Niedersachsen) en Nederlandse waddengebieden uitgevoerd. Regelmatig komen deskundigen bijeen om elkaar te informeren en zo beter inzicht te krijgen in de samenstelling en mogelijke trends in die samenstelling van de populatie gewone zeehonden aan de hand van het geheel aan verzamelde gegevens. De gezondheid van de populatie wordt afgemeten aan het voortplantingsvermogen, de leeftijdsopbouw en de overleving van de dieren in hun natuurlijke omgeving, karakteristieken die ook een aanwijzing zouden kunnen geven voor wat men noemt de draagkracht van de Waddenzee. Er moet voor alle dieren plek en voedsel zijn. En als de kwaliteit van het ecosysteem achteruit gaat, valt te verwachten dat aan het eind van de voedselketen de gevolgen het makkelijkst zichbaar en meetbaar zijn. De zeehond wordt een symbool, de thermometer van het ecosysteem op het wad en in die hoedanigheid met veel respect bejegend.
 
Deze tellingen, die worden uitgevoerd tijdens het geboorteseizoen in juni en juli en daarna gedurende de verharingsperiode in augustus, kunnen een benadering geven. Probleem is dat een storm of onverwachte verschuiving van het voortplantingsseizoen voor onvergelijkbare waarden kan zorgen. En incidenteel kan in vogelvlucht een grijze zeehond voor een gewone zeehond worden aangezien. Ook zoeken niet alle zeehonden op hetzelfde moment de plaat op. Studies o.l.v. de Zweedse zeehondenbioloog Tero Härkönen maakten in dit verband duidelijk dat zo’n 30% van het totale aantal dieren zich tijdens tellingen onder water bevindt. Nog later leverde onderzoek met behulp van kleine, op enkele dieren bevestigde zendertjes het onomstotelijke bewijs dat de gewone zeehond niet bepaald wat je noemt honkvast is. In twee weken tijd zwemt een zeehond met het grootste gemak van Texel naar de monding van de Eems. Een verhuizing van de Delta naar de wadden of, als het zo uitkomt, naar de Engelse kust behoort ook tot de mogelijkheden. Zo goed als zeker kunnen alle gewone zeehonden in de Delta, the Wash en de Waddenzee en misschien ook wel de dieren die rond de Orkney-eilanden en in de Oostzee zwemmen tot een en dezelfde populatie gerekend worden.
 
 
Een beschermde populatie
 
Het vergaat de gewone zeehond goed. De omvang van de huidige populatie is meer dan het zevenvoudige van wat in 1978 als een levensvatbare populatie werd beschouwd. Uit het aanhoudend hoge geboortecijfer kan worden afgeleid dat de groei van de populatie niet door de draagkracht van het gebied wordt beperkt. Er is genoeg vis te vinden en de oplettende wadvaarder kan ook dit jaar weer een zeehond spelend met zijn prooi op het water tegenkomen. Nog een goed nieuwsfeit over de zeehond is, dat de levensverwachting van een pasgeboren jong in de loop der jaren is gestegen van 4 naar 10 jaar. Er is aardig wat kennis opgebouwd, maar er zijn ook nog veel leemten en de aandacht voor de zeehondenpopulatie blijft terecht of niet een hoge prioriteit houden. In het Conservation and Management Plan for the Wadden Sea Seal Population 2007-2010 staat een opsomming van maatregelen die genomen moeten worden om schade aan de populatie tot een minimum te beperken. Factoren die genoemd worden hebben te maken met mogelijke invloed van verstoringen door menselijke activiteiten, dood door onbedoelde bijvangst in de visserij, waterkwaliteit en voedselbeschikbaarheid. Hoe groter de populatie des te groter is de natuurlijke voortplantingscapaciteit.
 
Aantallen zeehonden in de Waddenzee¹ (lees meer...)
 
Al het goede nieuws over zeehonden ten spijt, heeft wadvaarder en oud-voorzitter van de Vereniging Maarten Snel moeten constateren, dat er tussen 2002 en 2008 minstens 15 nieuwe art. 20 gebieden zijn bijgekomen; 14 zijn hetzelfde gebleven en 4 zijn van de kaart zijn verdwenen. Van de 15 nieuwe gebieden zijn er maar liefst 7 gecreërd voor zeehonden. In de Leidraad aanwijzing artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998 Waddengebied, die onlangs werd uitgegeven door het ministerie van LNV, wordt voorgesteld om voor de gewone zeehond geen extra gebieden meer af te sluiten. Wel wordt rekening gehouden met de mogelijkheid om de begrenzing van de afgesloten gebieden optimaal te houden.
 
 
Zeehonden onder giek
 
De wal die het schip keert
 
Voor de grijze zeehond wordt een aanvullend beleidsvoorstel gedaan. Deze diersoort kan als het ware nieuwe gebieden “innemen” als tenminste 5 dieren de plaat een aantal jaren achtereen als rustplek gebruiken. Het lijkt erop of mensen in de ijver tot beschermen een zeehond voor dommer dan een gans houden. Een gans krijgt een kans om met vallen en opstaan te leren waar de rustgebieden te vinden zijn en een zeehond neemt bij verhuizing het rustgebied mee. Het omslagpunt van jager naar beschermer ligt meer dan 40 jaar en zeker 4 zeehonden generaties achter ons. Varend over het wad zien we steeds vaker de kop van een zeehond naast het schip opduiken. Er zijn niet alleen méér zeehonden, maar de dieren ogen ook minder schuw. De zeehond lijkt zich aan de nieuwe situatie te hebben aangepast, terwijl het areaal aan verboden gebied met het groeien van de populatie alleen maar groter is geworden en dat terwijl niet is aangetoond dat het instellen van rustgebieden significant bijdraagt aan het behoud van de soort zoals bedoeld in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De benoeming van het Waddengebied tot een Natura 2000 zone vestigt opnieuw de aandacht op natuurbeheer; een aanleiding om ons opnieuw te bezinnen op beleid.
 
De populatie gewone zeehonden werd nu al tot tweemaal toe getroffen door een epidemie. Beide epidemieën vonden hun oorspong op Amrum. Het TSEG maakte in 1988 melding van zo’n 5000 dode zeehonden. De massale sterfte in de gestaag weer groeiende populatie zorgde in 1988 voor ruwweg een halvering van het aantal dieren. Vanaf mei 2002 stierf van de toen bijna 21.000 getelde zeehonden weer naar schatting de helft. Toen begin 2003 de epidemie in noordwest Europa min of meer was uitgedoofd, kwamen er vanuit Engeland en Ierland nog steeds meldingen van sterfte door besmetting met het phocine distemper virus. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij besmette dieren het immuunsysteem is aangetast: 80% van de dieren gaat dood aan ontstekingen. Zo’n infectie kan dus in korte tijd 40-60% van de populatie uitroeien. De oorzaak van een dergelijke uitbraak is duidelijk, maar het feit dat de ziekte zo snel om zich heen grijpt wordt tot nu toe vooral in verband gebracht met watervervuiling en niet zozeer met een overbevolking. Uit de epidemeologie is bekend dat de verspreiding van een pathogeen (ziektekiem) in een populatie o.a. afhankelijk is van het aantal en intensiteit van contacten met soortgenoten en daarnaast van de hoeveelheid kiemen die een geinfecteerd dier uitscheidt. Een te grote populatie heeft dus bij introductie van een pathogeen grote kans op een epidemie als gevolg van stress, weerstandsvermindering met daarbij behorende extra uitscheiding en de vele contacten. Om dit voor te zijn dient in de discussie hoe groot een levensvatbare populatie is, naast aandacht voor de minimale grootte, tenminste evenveel aandacht besteed te worden aan de maximale grootte van een populatie.
 
Foto: Frans Oostelbos
 
Sinds 1982, - worden in het Fiskeri- og Søfartsmuseet in Esbjerg geen zeehonden meer opgevangen en beperkt men zich tot wetenschappelijk onderzoek. In Denemarken worden gestrande en gevonden dieren tegenwoordig om eveneens ethische redenen afgemaakt of verkocht aan een dierentuin. Steeds vaker stellen de Nederlandse experts op het gebied van populatieonderzoek bij zeehonden de grootschaligheid van de zeehondenopvang openlijk ter discussie. Zoals het zich nu laat aanzien, kan één op de drie jonge zeehonden na een zoogtijd van 4 weken de overstap naar zelfstandig vis vangen niet vlekkeloos maken. In sommige jaren werden in Nederland 30% van de in dat jaar geboren jongen (op)gevangen, behandeld en weer vrijgelaten. De opvang is in ethisch opzicht zeker te rechtvaardigen, Het kan bovendien een bijdrage leveren aan de kennis over zeehonden en het vervult een educatieve rol, maar met het besef dringt meer en meer door dat met het terugzetten van herstelde zieke en zwakke dieren  de wilde populatie een groter risico op besmetting en een mogelijke uitbraak van een epidemie loopt.
 
Blauwe Balg
 
Op weg naar een evenwichtig beschermde populatie
 
Het is gewoon mooi om een zeehond van zo nabij te mogen zien.  De juiste balans tussen het ambassadeurschap van een wadvaarder of een andere natuurliefhebber en dat van de zeehond is nog niet gevonden, maar de tijd lijkt rijp voor een gecontroleerd afbouwen van rustgebieden voor zeehonden in combinatie met een goed waarschuwingssysteem voor de vondst van zieke en/of dode dieren. Daarbij zou het niet verkeerd zijn als de plaatsen van die rustgebieden in overleg met de scheepvaart worden vastgesteld met in gedachten het door WNF gehanteerde motto dat (nautische) veiligheid voorop staat. Over de effecten van verstoringen op een natuurlijke populatie is het laatste woord nog niet gezegd. De zeehond zal zeker in staat moeten zijn om zich aan een nieuwe situatie aan te passen, net zo goed als de wadvaarder kan leren of ervan overtuigd kan raken dat het niet overal en altijd goed is om tijdens het droogvallen van boord te gaan. In het jaar 2020 moeten de condities voor instandhouding voor alle in 1982 van nature in Nederland voorkomende soorten en populaties duurzaam aanwezig zijn. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de waarde van natuur mede bepaald wordt door de mens die er oog voor heeft.
 
Blauwe Balg
 


Explosieve groei aantal zeehonden bij Boschplaat
Bron: Leeuwarder Courant, 20 maart 2009
 
TERSCHELLING - De zeehondenstand op de oostpunt van Terschelling groeit explosief. In 2006 werd nog maar een handjevol geteld en in 2007 honderd stuks. Vorig jaar groeide er een imposante groep van 250 gewone en grijze zeehonden op deze locatie bij het eiland.
"De leefomstandigheden zijn de laatste jaren sterk verbeterd", zei Freek Zwart van Staatsbosbeheer gisteravond tijdens een overleg van beherende instanties op Terschelling. Door de ongekend grote dynamiek op het uiteinde van de Boschplaat is het gebied in korte tijd enorm veranderd.
 
Van de oostzijde is vorig jaar 70 meter weggeslagen en langs de noordkant een kilometerslange strook van 20 meter breed. Daarom moest de SBBbewakershut een halve kilometer naar het westen worden verplaatst om veilig te kunnen staan. Het weggespoelde zand heeft zich in de luwte van het eiland afgezet en daar nieuwe banken gevormd. Dit zijn geliefde rustplaatsen voor zeehonden. Gelijktijdig heeft de geul het Boschgat zich in noordelijke richting verplaatst, waardoor de rand van de Koffieboonenplaat steiler wordt. Ook dat past goed bij de leefsituatie van de zeehond.
 
Verstoring van zeehonden en broedende vogels door droogvallende schepen is volgens Zwart niet meer aan de orde geweest. Vorig jaar zijn 291 droogvallende boten genoteerd tegen 1258 in 2003. Charterschepen worden er nog nauwelijks gesignaleerd. Dat de scheepvaart onder de Boschplaat minder druk is geworden komt door de natuurlijke verplaatsing van de doorgaande vaargeul enkele kilometers naar het zuiden. Wel ondervonden de robben toenemende hinder van dichtbij langsvarende boten vanuit het Amelandergat.
 

1 Number of Counted Seals in the Wadden Sea since 1975.
Zie: http://www.waddensea-secretariat.org/news/news/Seals/Annual-reports/seals2008.html

Aerial Surveys of Harbour Seals in the Wadden Sea in 2008: Back to Pre-epizootic Level, and Still Growing: Wadden Sea Harbour Seal Population in 2008 by the Trilateral Seal Expert Group (TSEG) (25 November 2008)