Pagina in afdrukformaat
Met LNV op weg naar inhoud: het Rif weer toegankelijk.

Verslag van Jan Asselbergs en Karel Helder, 17 mei 2009.

Maandag 11 mei voer de Krukel naar het Smerig Gat met aan boord een bont gezelschap. De bemanning, twee collega schippers van LNV, drie vogeltellers van Engelsmanplaat, een vertegenwoordiger van SBB, Karel Helder en ik en als gastheer Gerrit van Brakel van LNV-Noord.
Even na de middag stak de Krukel zijn neus de haven in met een frisse noordoosten bries in de kont onder een stralende zon en draaide naar de LNV steiger naast de pont in Lauwersoog. Die steiger diende als HVP voor aardig wat beschermde vogelsoorten, de hele menigte klapwiekte onder luid protest de lucht in.

We hopten aan boord, binnen enkele minuten stoomde de Krukel de haven uit, de deining in onder wolken buiswater op weg naar de rode kant van het vaarwater. Wij verzamelden ons rond de tafel, de man van SBB zocht de reling op. “Wat moet je hier? Er zijn hier nou eenmaal geen bomen”, was het commentaar van de bemanning. Gerrit van Brakel opende de bijeenkomst met de gebruikelijke aanvalshouding. “Wat we eigenlijk kwamen doen, want de zaken liggen toch duidelijk? Tegelijk ook maar in de aanval op onze stelling dat vanaf 2002 het areaal Art. 20 steeds groter wordt.

De opper-vogelteller deed ijverig mee, “Of wij hun gegevens soms in twijfel trokken?”. “Jullie gegevens niet, maar de conclusies die er op worden gebaseerd passen ons slecht, was onze repliek. Het is ons volledig onduidelijk hoe je op basis van die tellingen kan stellen dat het Rif een HVP is en “dus” moet worden afgesloten. Vanuit jullie positie in het huisje op Engelsmanplaat kan je de hele noord-westkant van het Rif niet zien.” Vervolgens ontstond een discussie over de wijze van tellen, allemaal volgens internationale standaarden, maar wel met uitkomsten die weinig ruimte laten. Het hele Rif ziet man als één gebied. Wij opperden om het in tweeën te splitsen, het oostelijke deel, waar al tijden broedkolonies zitten en een grote HVP. Dan zal je zien dat het westelijk deel geen bescherming behoeft.

Een halfuurtje bekvechten leverde uiteindelijk op dat men toegaf dat feitelijk geen grond was voor de “aanbevelingen” van de telgroep. Wij uitten onze verbazing over die “aanbevelingen”. “LNV vraagt telgegevens en jullie komen ook nog met aanbevelingen, zelfs over zeehonden. Hebben vogeltellers daar ook al een mening over? Ik neem aan dat LNV ook zonder die aanbevelingen tot een oordeel kan komen.”
“Wat is jullie bezwaar eigenlijk?” kwam toen op tafel. De westzijde van het Rif is een van de mooiste plekken op het wad, Ameland in het westen, Schier in het oosten en vlak tegenover je aan de westkant van het geultje liggen honderden zeehonden te rusten. Lekkere poelen om de kinderen in te laten spetteren. Weinig drukte, want lang niet iedereen durft zijn schip daar op de plaat te zetten. Nog nooit een vogel opgejaagd.

Na veel discussie werd besloten een paal op de NW punt de plaatsen. Vanuit het huisje geldt dat als baken voor twee afzonderlijke telgebieden. Voor droogvallers ook, westelijk van die paal mogen we op de plaat, met inachtneming van de erecode, dus pas van boord als eventuele vogels weg zijn. Zuid van die paal komen nog enkele paaltjes, die het gebeid markeren waar je mag droogvallen. Karel en ik juichten in stilte.

Er ontstond nieuwsgierigheid naar de praktijk van het droogvallen. “Hoe werkt dat nou precies”? Een gebied afsluiten van 3 uur voor tot 3 uur na HW maakt het voor ons volledig oninteressant. Rekening houdend met weer en wind en tij zoek je uit met een marge van ruim een uur wanneer je grond moet voelen om later, bij het opkomen van de volgende vloed weer los te kunnen komen. Als je dan wacht tot je om je schip kan lopen is het al gauw twee uur na hoog. Er is pas reden om aan de wandel te gaan als de plaat verder droog komt, dan heb je het zo’n beetje over drie uur na hoog. Zouden jullie die kaart niet drie uur voor en na hoog zetten maar bijvoorbeeld anderhalf uur, dan kunnen wij droogvallen en jullie weten dan dat we pas drie uur na tot drie uur voor rondstruinen. “Daar ben ik tegen!” zei één van de vogeltellers met een grote grijns, hij bleek ook strandvonder te zijn.

De heren gingen vervolgens uitgebreid met elkaar in debat. Zo te horen met welwillendheid. Vragen om nadere toelichting en uitleg van onze kant leidden tot steeds meer tot begrip. “Probeer je eens voor te stellen hoe vaak daar zal worden drooggevallen? Je moet mooi vast weer hebben, met dagenlang winden zonder west of noord erin zodat er weinig deining meer is. Met een robuuste weersverwachting, bij voorkeur enkele dagen voor springtij, met laagwater midden op de dag, dat zijn de vensters waarbinnen je daar kan zijn. Je hebt het dus over enkele zomerdagen per jaar.”

Het traditionele Smerig Gat is snel en stevig aan het verzanden. Aan de oostzijde is nog maar weinig ruimte om een opper te kiezen. Oude tracks zijn weinig meer waard, ook het geultje onder de westzijde van het Rif is bijna verdwenen, in elk geval niet bevaarbaar meer, zo meldde men. Om toegang toch nog mogelijk te maken stelde Van Brakel voor om een drietal prikjes te plaatsen zodat je veilig binnen kan varen, noord van deze prikjes kan je nog droogvallen.
Afgesproken werd dat Karel dinsdag 19 mei weer meevaart om de plaatsing van palen en prikken bij te wonen.

Gaandeweg kwamen verhalen over huftergedrag op tafel, hoe zeldzaam die zijn, welke categorieën dat betreft, dat je het dan niet over Wadvaarders hebt en dat het dus toch wel zonde is om zo tegenover elkaar te staan terwijl daar geen reden toe is. Kajakkers, sommige wadloopgroepen, rondvaartboten en zo nu en dan een speedboot met loslopende honden, daar zitten de echte verstoorders tussen.
“Neem nou dat afgesloten gebiedje onder Schier, als je rond HW een rondje wilt maken moet je daar een hoek van afsnijden. Het zal er wel zijn om zeehonden te beschermen, maar met HW zie je er niet één. Zinloos, dus. Als de oostgrens hier zou lopen is het hele probleem weg.” Van Brakel zetten meteen een potloodstreep op de kaart.

Van Brakel zou het toch wel op prijs stellen dat wij niet onverhoeds met bezwaarschriften komen. “Als afsluitingen zijn onderbouwd met serieuze waarnemingen en zich richten op het voorkomen van reële verstoringen zal je van ons geen last hebben.“
En toen kwam de vraag waar ik in stilte al een tijdje op hoopte: “Zou het iets zijn als we jullie vragen bij de besprekingen over de afsluitingen voor het volgende seizoen?” “Dat zou erg helpen,” zeiden wij in koor.

Toen we de haven weer binnenvoeren kwam de man van SBB wat witjes weer binnen. Karel en ik stapten na het aanleggen met knorrende magen de wal op, op zoek naar haring en bier.

Zie ook: Oude Smeriggat in 2009