banner
Pagina in afdrukformaat
MZI rapport 2e kamer (uitreksel)
http://www.minlnv.nl/cdlpub/servlet/CDLServlet?p_file_id=25342
 
 
Aanbevelingen per pilotgebied
 
Uit de pilotstudies komt de westelijke Waddenzee als meest geschikte gebied voor MZI-opschaling naar voren. Vooral aan de randen van de diepe geulen is er voldoende doorstroming om geen nadelige effecten van
slibdepositie te verwachten. Bovendien is de zichthinder vanaf land gering en zijn er voldoende mogelijkheden
voor geïntegreerd ruimtegebruik. Een productie van tien miljoen kilo mosselzaad per jaar lijkt ecologisch goed
inpasbaar binnen de draagkracht van goed doorstroomde gebiedsdelen.
 
Ook de oostelijke Waddenzee leent zich in mogelijk goed voor MZI. Dat komt met name door de grote
uitwisseling van water met de Noordzee en de daardoor gegarandeerde goede larvenaanvoer en
voedselvoorziening. Wel vormen de hoge stroomsnelheden in de vaak smalle geulen een probleem. Het is dan
ook de moeite waard hier te starten met MZI-experimenten. Vergunningen daarvoor zouden in eerste instantie tot 2012 kunnen worden verstrekt om de perspectieven voor MZI helder te krijgen.
 
Bij het uitgeven van vergunningen voor stapsgewijze MZI-opschaling verdient een aantal lokale randvoorwaarden de aandacht. Ten eerste moet rekening worden gehouden met eisen vanuit het wettelijk kader (Wro, Nb-wet en Wbr). Daarnaast is MZI in Nb-wet artikel 20 gebieden, hoofdvaarroutes en gebieden met een zeebodem waar depositiegevoelige biota voorkomen geen optie. Ook is het zaak locaties met een te lage stroomsnelheid te mijden en afstand te bewaren tot vogel- en zeehondenconcentraties. Verder moet inpassing van MZI worden afgestemd met andere gebruiksfuncties, zoals visserij en recreatievaart, maar ook op de omgeving. Tot slot moet de afstand van MZI-installaties tot mosselkweekpercelen van derden minstens tweehonderd meter bedragen.
 
De eerste opschalingsstap kan worden gezet in de periode 2009 tot 2012: uitbreiding van de huidige zestig
hectare effectieve MZI-productieruimte naar een goed ecologisch inpasbare omvang. Dit kan worden verdeeld
over de westelijke Waddenzee (140 hectare effectieve productieruimte), de oostelijke Waddenzee (10 hectare
experimentele productieruimte).
Voor de 230 hectare productieruimte zal 700-1250 hectare vergunningsruimte nodig zijn [Waarvan een klein deel in Zeeland en de voordelta].
 
De perspectieven voor opschaling zijn afgemeten aan drie principes:
·         Willen: de wil om middels MZI mosselzaad te produceren om aan voldoende grondstof voor
·         mosselkweek te komen of om de mosselzaadvisserij verder te reduceren;
·         Kunnen: de draagkracht van het systeem om mosselzaadproductie middels MZI te realiseren, zonder
·         dat het majeure invloed op de omgeving heeft;
·         Gunnen: het maatschappelijk draagvlak om ruimte op zee voor MZI te reserveren binnen de belangen
  • van bestaand ruimtegebruik en de wensen van natuurherstel.
 
De voor MZI geschikte gebieden (dit geldt ook voor de Wadden regio) zijn ook ideaal voor de watersport (randen van geulen, beschutte gebieden). Waterrecreanten ondervinden hinder van MZI-installaties: er bestaat een risico op aanvaring en MZI’s verminderen de natuurbeleving.
Aan de andere kant blijken MZI’s een gewild excursiedoel te zijn.
Zolang MZI-installaties niet worden opgesteld in hoofdvaarroutes en goed gemarkeerd zijn, vormen ze voor de
professionele scheepvaart geen probleem. Toch ondervond een aantal MZI-pilots schade door aanvaringen,
waarvan de veroorzakers niet bekend zijn.
 
Geredeneerd vanuit de mosselsector betreft de Waddenzee een ‘onverschillige regio’ omdat de culturele, economische en politieke verwevenheid van de mosselsector met de regio veel minder groot is dan in Zeeland. In de Waddenregio hecht men namelijk meer aan het belang van garnalen- en wadvissers, natuurgerelateerde recreatie en watersport die voor directe werkgelegenheid zorgen, en weegt dat zwaarder dan het belang van de “Zeeuwse mosselsector”. Een uitzondering daarop vormt de kop van Noord Holland. Daar is een concentratie van MZIpioniers en MZI-activiteiten, wat overduidelijk werkgelegenheid met zich meebrengt. Daarmee is de band met de mosselsector enigszins hersteld.
 
 
Met de visserijsector en het waterrecreatieoverleg zijn nadere afspraken te maken over het selecteren van MZI
locaties buiten de meest waardevolle visbestekken en watersportknooppunten.
 
Het ligt in de lijn der verwachting dat binnen de vergunde ruimte om te experimenteren ook in 2008 al een
opschaling tot meer dan 100 hectare effectieve productieruimte zal plaatsvinden.
 
Westelijke Waddenzee
De westelijke Waddenzee lijkt het meest geschikt voor opschaling van MZI, met name aan de randen van de
geulen waar het water bij eb nog ruim drie meter diep is. Hier is voldoende doorstroming om geen nadelige
effecten van slibdepositie te verwachten. De zichthinder vanaf land is gering. Nadeel is de relatief lange verblijftijd van het water, met name verder weg van de zeegaten. Dat leidt tot een minder optimale groei van ingevangen mosselzaad en sterkere neveneffecten op natuurwaarden.
De eerste ervaringen met MZI op mosselkweekpercelen zijn ook veelbelovend. Zeker omdat er dan sprake is van geïntegreerd ruimtegebruik. De productiviteit is op die locaties wel lager dan langs de geulen.
Vooralsnog is de inschatting dat een productie van tien miljoen kilo mosselzaad per jaar ecologisch inpasbaar is
binnen de draagkracht van de goed doorstroomde gebiedsdelen. Die hoeveelheid geeft een filtratiedruk van ruim drie tot vier procent van het volume van de westelijke Waddenzee per dag en een corresponderend beslag op de primaire productie. Wel moet bij een dergelijke productie de draagkracht nader worden bepaald. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de gevolgen voor andere biota die algen filtreren, maar ook naar de lokale schaduwwerking van MZI-installaties.
Momenteel omvat de voor experimenten vergunde ruimte voor MZI in dit gebied 331 ha. Daarin is op 39 ha
effectieve productieruimte een productie van 1,68 miljoen kilo mosselzaad gerealiseerd.
Als een MZI-gebied van 370 tot 660 ha wordt aangewezen, biedt dat voldoende ruimte voor het inpassen van 100 hectare MZI-productieruimte langs de geulen en 40 hectare op mosselkweekpercelen. Binnen die grenzen zet de mosselzaadproductie naar de huidige inzichten de draagkracht niet onder druk. Om lokale effecten van begrazing van algen te voorkomen, bevelen we aan de MZI-activiteiten te verspreiden over het hele stroomgebied. Voor de garnalenvisserij, andere vormen van wadvisserij en recreatievaart blijft voldoende ruimte over. Zeker als de keuze van MZI-locaties wordt afgestemd met deze sectoren. Het verlies aan visareaal voor de garnalensector kan worden gecompenseerd door een deel van de naar schatting 1000 ha niet-benutte mosselpercelen in dit gebied 108 van 124 vrij te geven. Voor wadvissers is compensatie mogelijk door ze kleinschalige MZI in hun bedrijven met visserij (vaste vistuigen) te laten integreren.
Bij de aanwijzing van gebieden voor MZI is het verstandig uit te gaan van adaptief, dynamisch beheer, waarbij de exacte locaties kunnen worden herzien als dat voor de inpasbaarheid in de omgeving gewenst is.
Een nauwgezet monitoringprogramma voor draagkracht en de effecten van slibdepositie is nodig om later te
kunnen bepalen of, indien gewenst, verdere opschaling mogelijk is.
 
Oostelijke Waddenzee
Ook de oostelijke Waddenzee leent zich in principe goed voor MZI. Dat komt door de grote uitwisseling van water met de Noordzee en de daardoor gegarandeerde goede larvenaanvoer en voedselvoorziening. Wel vormen de hoge (piek)stroomsnelheden in de meestal smalle geulen een probleem. In een groot deel van de geulen liggen bovendien betonde vaarroutes tot de rand van de plaat. Delen van het zeegat van Ameland en het Friese zeegat (Zoutkamperlaag) voldoen wel aan de gestelde criteria (redelijke stroomsnelheid, meer dan drie meter diep, redelijke afstand tot verstoringsgevoelige gebieden).
Momenteel wordt de experimentele ruimte voor MZI in dit gebied (26 ha) nog niet benut. Het is evenwel de moeite waard hier te starten met MZI-experimenten. Voor tien ha effectieve productieruimte in een experimentele fase moet, deels langs de geulen, een MZI-gebied van circa 100 ha worden aangewezen.
Het valt te overwegen om voor dit gebied alleen voorlopige vergunningen tot 2012 te verstrekken. Daardoor kan
eerst worden bepaald wat de daadwerkelijke perspectieven voor MZI zijn, mede in het licht van de ervaringen met opschaling in de westelijke Waddenzee.
 
In het Eems-Dollard gebied zijn de condities voor inpasbaarheid van MZI minder gunstig. Dat komt door de
ambities voor havenuitbreiding en onduidelijkheden rond gemeenschappelijk beheer van het grensgebied met
Duitsland. Het is mogelijk wel zinnig om hier enkele verkennende experimenten uit te voeren naar het succes van MZI met een beproefd systeem en zo te bekijken of het gebied geschikt kan zijn voor MZI.