Inventarisatie art.20 gebieden 2015

Bron: Gerke Brouwer, Roel Luiten, Rik Vasen, Erik de Waal, Maarten Snel gepubliceerd in Berichten 100 najaar 2016

In de Waddenzee zijn er gebieden afgesloten voor de recreatie. Hoe zit dat nou met die afsluitingen, nemen ze toe, nemen ze af? Wordt het aantal afgesloten gebieden groter of kleiner? En hoe zit het met het totale oppervlak aan gesloten gebied? Blijft dat wel binnen de 10% van het totaal oppervlak, wat als maximum voor het areaal aan afgesloten gebied wordt gehanteerd?

Al jaren roepen verschillende betrokkenen rond het Wad dat er de afgelopen jaren steeds meer terrein op het Wad is gesloten voor recreatief gebruik. Anderen beweren het tegenovergestelde. De standpunten zijn gelukkig (nog) niet verhard tot een schuttersputjes-oorlog, maar er is al wel jarenlang sprake van een welles-nietes-situatie tussen de verschillende partijen.

Tijd om het aloude adagium "Meten is weten  weer eens van stal te halen. Direct naar onze mening en voorstel voor te voeren beleid?: klik hier

Artikel 20 gebieden, waar hebben we het over?

In de Waddenzee zijn er gebieden die voor recreatie afgesloten zijn, ter bescherming van de natuur. Dat kan zijn ter wille van broedende vogels, zogende zeehonden, of voor foeragerende vogels. Ook voor de visserij zijn er afgesloten gebieden, die blijven hier buiten beschouwing. De afsluiting kan gelden voor een heel jaar (b.v. rond de beide Rottums, Griend) of voor een bepaalde periode van broeden (b.v. oostpunten van eilanden, doorgaans van 15-03 tot 15-08) of voor het zogen van jonge zeehonden (b.v. zandbanken zoals Simonszand, Richel, doorgaans van 15-05 tot 01-09). Op de waterkaarten staat dit met groene hekjes aangegeven. Daarbij staat vermeld voor welke periode het geldt en of het om vogels, zeehonden of om beide gaat.

Jaarlijks stelt het ministerie van Economische Zaken (EZ) vast welke gebieden worden afgesloten. De juridische basis daarvoor is de Natuurbeschermingswet (Nb-wet), artikel 20. Tevoren wordt, waar dat nodig is, met de recreatiesector overlegd over de plannen voor het komende jaar. Als er weinig tot niets gaat veranderen, is dat overleg een formaliteit. Al sinds de negentiger jaren geldt een vuistregel dat niet meer dan 10% van de Waddenzee wordt afgesloten ter wille van de natuur.

Meten is weten

Met een werkgroep van vijf leden van de vereniging Wadvaarders hebben wij ons gebogen over de kaarten van het Westelijk en het Oostelijk Wad (de 1811 en de 1812), vanaf het begin van de afsluiting van gebieden in het jaar 1982 tot en met 2014. Kille cijfers zeggen niet alles. Afgesloten gebieden die onbevaarbaar zijn en waar je makkelijk “omheen” kunt varen of lopen hinderen ons wadvaarders minder dan afgesloten geulen. Daarom heeft de werkgroep de afgesloten gebieden op een kwalitatieve en een kwantitatieve manier geïnventariseerd.

Naar een kwalitatieve benadering

Van alle kaartbladen hebben wij een scan op A4-formaat gemaakt, met genereuze hulp van de Hydrografische Dienst. Van de ruim dertig beschikbare jaren hebben wij een selectie gemaakt: wij bestudeerden alle kaartbladen uit de jaren 1982, 1985, 1990, 2000, 2005, 2010 en 2014 al met al meer dan 100 kaartbladen. We beschikten niet over de oppervlaktes per gebied, dus hebben ons in eerste instantie beperkt tot een kwalitatieve benadering: is het een nieuw gebied, is het groter of kleiner geworden, gelijk gebleven, of is de afsluiting opgeheven. De resultaten vindt u hier.

Uit de vergelijking door de jaren heen op grond van onze kwalitatieve beoordeling blijkt, dat het zowel het aantal afgesloten gebieden als de totale oppervlakte zijn toegenomen.

Naar een kwantitatieve benadering

Vervolgens maakten wij de stap van kwalitatieve naar een kwantitatieve bepaling van de oppervlaktes. Via de Waddenunit van EZ kwamen we terecht bij Rijkswaterstaat (RWS), waar men bijna elk jaar de oppervlaktes van de afgesloten gebieden bijhoudt, vanaf 1997 tot en met 2013. Ook hier selecteerden we een beperkt aantal jaren voor nadere bepaling van de oppervlaktes, niet helemaal identiek aan onze lijst maar wel vergelijkbaar: 1997, 2000, 2006, 2010 en 2013. Uit een analyse van de cijfers van RWS blijkt dat wij met onze kwalitatieve benadering er niet ver naast zaten: het areaal aan afgesloten gebied is sinds 1997 toegenomen van 28.208 ha in 1997 naar 28.831 ha in 2013. Een toename van 2,2%. Intrigerend is dat het areaal tussen 1997 en 2000 afneemt van 28.208 ha naar 2.722 ha en dat het vanaf 2006 weer toeneemt van 27.732 naar 29.831 ha, een toename van 4%.

De gegevens van de kwantitatieve beoordeling vindt u hier.

Eerst meten, nu weten: de aandacht gericht op zeehond- gebieden.

Het areaal aan afgesloten gebied is sinds het begin van de RWS-metingen in 1997 toegenomen. Hoe en waar is toename de afgelopen 10 jaar geweest? En met name hoe is de toename geweest in het areaal aan zeehond-gebieden. Onze aandacht gaat niet zozeer uit naar de gebieden waar vogels broeden en jongen grootbrengen. In brede zin is er veel begrip en waardering voor het afsluiten van deze gebieden, vooral omdat de gebieden worden vrijgegeven zodra de jongen zijn uitgevlogen. Dan worden de "Verboden toegang"-bordjes weggehaald en is het gebied weer vrij toegankelijk, ook al staan er op de kaart nog steeds "groene hekjes". Dynamisch zoneren is voor deze gebieden al sinds het begin van deze eeuw gebruikelijk. Maar over zeehond-gebieden is onder recreanten wel veel gemor: "Er zijn zo veel van die beesten, moet dat nog nog steeds al die afsluitingen?"

Onze specifieke interesse gaat uit naar de ontwikkeling van de gebieden ter bescherming van de zeehond, na de laatste epidemie in het jaar 2004. Toen daalde het aantal zeehonden in het Nederlandse Wad tot bijna de helft, van 4465 naar 2365 exemplaren. Daarna heeft de soort zich redelijk snel hesteld (zie tabel populatie van de zeehond 1997- 2014). Sinds 2006 (dus ruim na de zeehond-epidemie) neemt het areaal aan afgesloten zeehond-gebied nog steeds toe. De cijfers van RWS geven aan dat het gaat om een toename van 901 ha sinds 2006 en dat is een toename van ongeveer 6,5%.

Op grond van een verantwoorde balans tussen natuur en recreatie is het alleszins logisch, dat zeehonden bescherming behoeven in een periode dat het slecht gaat met de soort, bijvoorbeeld na een epidemie. Dat het areaal aan zeehond-gebieden direct na 2003 is toegenomen, is dan ook te billijken. Maar dat deze ontwikkeling doorzet na 2006 wekt onze bevreemding.

Van "meten is weten" naar beleid

De zeehonden stand neemt de laatste 10 jaar toe, tot boven de 10.000 (zie tabel populatie van de zeehond 1997- 2014). Wat is daarop de reactie geweest van de overheid, wat was het beleid met betrekking tot de afsluitingen voor zeehonden en welk beleid zouden wij voorstaan?

Het overheidsbeleid lijkt gestoeld op de overtuiging dat de stand van de zeehonden beïnvloed kan worden door gebieden af te sluiten voor recreatie. De zeehondenstand in de Wadden wordt echter slechts marginaal bepaald door lokale invloeden zoals recreatieve activiteiten. Externe invloeden zoals een virus bij IJsland of een ernstige vervuiling van het water zijn vele malen belangrijkere verklaringen van de afname van het aantal zeehonden in het Nederlandse Wad. Het overheidsbeleid met betrekking tot de afsluitingen voor zeehonden zou beter een reactie kunnen (of moeten!) zijn op die externe invloeden. Zijn die negatieve invloeden er niet, kan met goed uitgekozen gebieden weer openstellen.

Balans

In onze ogen gaat het bij het ontwikkelen van een beleid inzake de afsluitingen om een goede balans tussen natuur en recreatie. Natuurbescherming waar dat nodig is en recreatie (uiteraard binnen grenzen van de Erecode) waar dat mogelijk is. Wanneer er zo veel zeehonden zijn als op dit moment, is het in onze ogen zeer wel mogelijk om een flink aantal zeehond-gebieden die thans nog zijn afgesloten vrij te geven voor de recreatie. Op veel plaatsen heeft de praktijk ons geleerd, dat zeehonden en recreanten zich aan elkaar aanpassen en dat hun verblijf en het langsvaren van schepen uitstekend samengaan.

Voorstel

Voor de situatie dat er meer dan 6000 zeehonden zijn bepleiten wij het volgende beleid. Als er zo veel zeehonden zijn dan gaat het kennelijk goed met de soort, ondanks (of misschien zelfs wel dankzij) de aanwezigheid van passerende schepen. Beschermende maatregelen zijn dan niet zo dringend meer nodig. In dat geval kunnen afgesloten gebieden vrijgegeven worden ten behoeve van de recreatie. Voor de zandbanken langs de randen van de Waddenzee en nabij de eilanden waar zeehonden op een steile bank hun jongen werpen en grootbrengen kan een strakker beschermingsbeleid geldig blijven. Die gebieden staan wat ons betreft niet zo zeer ter discussie; ook al is het op een mooie rustige dag zeer aantrekkelijk om daar droog te vallen.

Maar met name voor de gebieden die niet langs de randen van de Waddenzee liggen, maar binnen de eilanden, kan een veel soepeler beleid gehanteerd worden. Verderop noemen we bij wijze van voorbeeld een tiental van deze gebieden.

Wanneer er onverhoopt een drastische verslechtering van de zeehondenstand zou plaatsvinden (b.v. door een epidemie), dan wordt het soepeler beleid verlaten en worden weer de huidige beschermende maatregelen getroffen, ook voor de eerder genoemde gebieden binnen de eilanden. Het afsluiten van gebieden ten behoeve van zeehonden in hun kwetsbare periode (werpen, zogen) is dan maatschappelijk alleszins te rechtvaardigen. Recreanten-organisaties, natuurbeschermers en overheden kunnen daarover met elkaar afspraken maken, in de wetenschap dat de achterbannen hier mee zullen instemmen.

Harmonica-model

Wij noemen dit een harmonica-model, omdat het totaal areaal aan afgesloten gebied kan afnemen als een deelsysteem op het Wad (meer dan in totaal 6000 zeehonden) robuust is. De definitie van wat het betekent  “Het gaat goed (of slecht) met de zeehond” vergt wellicht enige discussie, maar dat doet aan het concept achter deze beleidslijn niets af. Enig houvast om te bepalen wat “goed of slecht” is, valt te ontlenen aan de Leidraad: “De huidige gebieden zijn voldoende om een ondergrens van 6.000 dieren in stand te houden. Voor de bescherming van de gewone zeehond betekent dit dat er op dit moment in principe geen extra gebieden afgesloten behoeven te worden”.

Om de zorg bij EZ weg te nemen dat er bij een nieuwe afsluiting in deze situatie politiek en juridisch gerommel ontstaat, zouden de recreanten-organisaties op het Wad een convenant met EZ kunnen tekenen, dat zij in een dergelijk geval geen juridisch bezwaar zullen aantekenen.

Het tegenvoorbeeld: als er bij een stabiel-grote zeehondenstand géén gebied wordt vrijgegeven en bij een drastische daling in de aantallen wel nieuwe gebieden worden afgesloten, dan komt er per saldo in de loop der tijd alleen maar afgesloten gebied bij. Dat lijkt ons maatschappelijk niet te verdedigen; de balans tussen natuur en recreatie raakt op die manier verstoord. Bovendien is het strijdig met de afspraak dat niet meer dan 10% van de Waddenzee zal worden afgesloten ter bescherming van de natuur. 

Tussenstap

Op weg naar het harmonica-model dat hierboven werd bepleit, is een tussenstap mogelijk, die niet of nauwelijks schadelijk is voor de zeehond en die voor de recreatie een aangename verruiming van de mogelijkheden betekent.

Er zijn op het Wad nogal wat gebieden afgesloten ter wille van de zeehonden, die ongeveer de helft van de tijd onder water staan. Bij hoog water is er geen sprake is van werpen, zogen, rusten. Dus waarom zouden die gebieden tijdens hoog water gesloten moeten blijven? Openstelling van 3 uur voor tot 3 uur na hoog water brengt niet of nauwelijks schade toe aan de soort. Dit zou kunnen gelden voor alle gebieden binnen de Waddeneilanden (dus niet de gebieden langs de buitenranden met hun steile banken), zoals:

Mosselgaatje, ZuidOostLauwers (de Noord-rand), Dantziggat – Wierbalg, Brakzandstergat, Vierhuizergat, Punt van Reide, Eilanderbalg en bij de Koffieboonenplaat: doorgang van en naar zee mogelijk maken

Zo zijn er dus wel een aantal plaatsen op het Nederlandse Wad te benoemen waar de zeehonden bij laagwater prioriteit hebben en de recreatievaart bij hoog water vóór kan gaan, zonder dat de zeehondenpopulatie daar ernstig onder te lijden zal hebben. Een algemene maatregel om die gebieden van drie uur voor tot drie uur na HW open te stellen voor de recreatievaart lijkt logisch. Gegeven het gedrag van meer dan 95% van de recreanten op het Wad is een strenge handhaving daarbij niet nodig. Monitoring specifiek voor deze maatregel zal dat .

Perspectief

Wanneer de discussie hierover gevoerd wordt over elk afgesloten gebied afzonderlijk, dan leidt dat nergens toe. Want er is altijd wel iets te bedenken waarom zeehonden juist daar bescherming verdienen. En er is ook altijd wel iets te bedenken waarom doorvaart in dat gebied zeer wel mogelijk en ook wenselijk is.

Maar het gaat om het grotere geheel. En dan rijst de vraag of bij een zeehondenpopulatie van (veel) meer dan 6000 nog steeds het adagium moet gelden, dat elke zeehond beschermd moet worden. Het is de zelfde of op zijn minst een vergelijkbare discussie over de wilde zwijnen op de Hoge Veluwe, de ganzen op het boerenland, de aalscholvers, de vossen. Daarmee pleiten wij niet voor het afschieten van de nationale knuffelbeesten, maar wel voor een veel genuanceerder afweging, een betere balans tussen natuurbescherming en natuurbeleving dan op dit moment het geval is waar het gaat om de zeehond. Als er sprake is van een robuust deelsysteem op het Wad, zoals nu met de zeehond het geval is, is het dan niet denkbaar dat de natuur een klein stapje opzij doet ter wille van dat andere natuur-beest, de mens? Wij raden het bestuur aan die discussie met kracht aan te gaan zwengelen, op alle daartoe relevante niveaus.

 

Nabrander

Voor foeragerende vogels op het Wad geldt overigens het zelfde als voor zeehonden: bij hoog water is er geen sprake van foerageren, dus doorvaren van een gebied dat is afgesloten ter wille van foeragerende vogels kan vrijgegeven worden voor doorvaart. Hier kan het zelfde regime gehanteerd worden als wat wij voor de zeehond bepleiten: in het tijdvenster van 3 uur voor tot 3 uur na hoog water kan dit gebied doorvaren worden.