banner
Pagina in afdrukformaat
Antwoord minister en reactie bestuur
Antwoord minister dd. 29 oktober 2008
 
Reactie bestuur op brief minister dd. 3 november 2008
 
 
D i rectie Regionale Zaken
DRZN. 2008/3791 29 oktober 2008
 
 
Ministerie van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit
Directie Regionale Zaken
Vestiging Noord
Cascadeplein 6
Postadres: Postbus 30032
9700 RM Groningen
Telefoon: 050 - 5992300
Fax: 050 - 5992399
 
 
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2000 EA 's-GRAVENHAGE
 
N.av. 24 september 2008 2008Z03074
2008D06268
 
Betreft: Brief bestuur Wadvaarders
Datum Kenmerk Paraaf: 29 oktober 2008 DRZN. 2008/3791
 
 
Geachte Voorzitter,
 
In de brief van 24 september 2008 heeft uw vaste commissie voor Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit mij verzocht om een reactie op de brief van de Wadvaarders van
19 september 2008. Hierbij geef ik mijn reactie.
Ik hecht aan een goede uitvoering van het Convenant Vaarrecreatie, en aan een goede
samenwerking met de partijen die betrokken zijn bij het convenant. Mijn indruk is dat de
samenwerking goed verloopt, en dat het door mijn departement ingezette traject kan
rekenen op draagvlak bij de betrokken partijen. De brief van de Wadvaarders heeft mij
dan ook verrast. Naar aanleiding van de kritiek heeft inmiddels een gesprek plaatsgevonden
met het bestuur van de Wadvaarders.
Afgesproken is om de onderlinge contacten te blijven benutten.
 
Ik zal, voordat ik inga op de kritiek van de Wadvaarders, eerst in het algemeen de stand
van zaken schetsen.
Mijn departement is verantwoordelijk voor twee afspraken in het convenant. Dit betreft
het opstellen van een monitoringplan waarmee de ontwikkeling van de vaarrecreatie en
de effecten van de vaarrecreatie op vogels en zeehonden gevolgd kan worden. En de
toepassing van artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nb-wet) waarmee
ik als het bevoegd gezag zonodig beschermde natuurgebieden tijdelijk kan sluiten om
natuurwaarden te beschermen tegen verstoringen. Ten behoeve van de transparantie over
de toepassing van artikel 20 in het Waddengebied ben ik bezig met het opstellen van een
leidraad.
Beide trajecten verkeren in een eindfase. De leidraad en het monitoringplan zullen eind
van het jaar worden aangeboden aan het Regionaal College Waddenzee. Bij beide
trajecten zijn vertegenwoordigers van de relevante belangengroeperingen betrokken,
waaronder de Wadvaarders.
Inmiddels zijn er enkele bijeenkomsten geweest waarin de concepten zijn besproken.
Het monitoringplan is in een vergevorderd stadium en kan rekenen op draagvlak bij alle
betrokken partijen. Ten behoeve van de leidraad voor de toepassing van artikel 20 van de
Nb-wet hebben consultaties plaatsgevonden en vindt nu nog een nadere uitwerking
plaats, waarvan de resultaten nog verder worden besproken met de betrokken partijen.
 
 
Hieronder ga ik in op de kritiekpunten:
 
1.
Eind 2007 werden de deelnemers geconfronteerd met een groot aantal artikel 20 gebieden
(waar de toegang al dan niet tijdelijk verboden is) zonder gefundeerde motivering.
De bezwaarprocedure startte pas na het verschijnen van de betreffende kaarten.
Mijn departement presenteerde in het Toeristisch Overleg Waddenzeegebied (TOW) op
9 oktober 2007 de eerste conceptvoorstellen voor de aanwijzing van gebieden op grond
van artikel 20 van de Nb-wet, en voor wijziging van aangewezen gebieden. Deze voorstellen
waren op kaart aangegeven, en mede gebaseerd op informatie van de terreinbeheerders,
de Waddenunit en IMARES. De Wadvaarders waren in dit overleg vertegenwoordigd.
Daarna is nog drie keer met de Wadvaarders gesproken over de voorstellen.
De laatste keer, op 4 december 2007, is overeenstemming bereikt met de Wadvaarders, de
ANWB, Hiswa en BBZ over de aan te wijzen gebieden en de begrenzing ervan.
De wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en de kaarten worden gedrukt
op de hydrografische kaarten van de Waddenzee. Om deze kaarten tijdig, voor het begin
van het toeristenseizoen, beschikbaar te hebben worden de begrenzingen in concept in
december doorgegeven aan de Hydrografische Dienst. Mocht tijdens de bezwarenprocedure
de begrenzing wijzigen, dan zullen de gebruikers van de hydrografische
kaarten dit zelf op hun kaarten moeten aanpassen. Tot op heden is dit nog niet voorgekomen.
Voor uitleg over de aanleiding van de gebiedssluitingen en de manier waarop ik
dat voorbereid, verwijs ik u naar mijn antwoord van 28 november 2007 (nr. 766) op vragen
van het lid Snijder-Hazelhoff.
 
2.
Met name over één locatie (het Rif) was het uiterst onduidelijk of de reden voor afsluiting
wel voldoende was onderbouwd. In maart ontvingen wij een mail waarin ons de
benodigde informatie en een analyse van die informatie in het vooruitzicht werd gesteld.
Toen die informatie uitbleef is die andermaal opgevraagd. Met een nieuwe mail werd ons
nogmaals de informatie en de analyse van de cijfers toegezegd, binnen twee weken.
Geruime tijd daarna ontvingen wij wel de cijfers, maar geen enkele toelichting.
Tijdens het overleg van 4 december 2007 (zie mijn antwoord 1) was ook overeenstemming
bereikt over het Rif, maar met de aantekening dat na 2008 het functioneren van het Rif als
hoogwatervluchtplaats voor vogels zou worden geëvalueerd.
 
Op verzoek van de Wadvaarders zijn in mei 2008 de telgegevens over 2007 van het Rif,
afkomstig van SOVON aan de Wadvaarders gemaild. Op het vervolgverzoek van de
Wadvaarders om meerjarige informatie, is op 14 augustus 2008 een 10-jarige trendanalyse
van het aantal vogels op het Rif gemaild aan de Wadvaarders die het SOVON in opdracht
van mijn departement - en naar aanleiding van het verzoek van de Wadvaarders - heeft
uitgevoerd over de jaren 1997 t/m 2007.
 
3.
In februari 2008 vond overleg plaats over de voorgenomen locaties voor Mosselzaadvanginrichtingen
(MZI‘s). Zeer kort na dat overleg gaf LNV vergunning voor enkele MZI‘s,
waarvan er niet één genoemd was in het overleg. Twee daarvan liggen op hinderlijke,
gevaarlijke en onnodig provocerende posities, zoals recht tegenover de haven van
Lauwersoog.
In mijn brief van 20 februari 2008 (29684, nr. 65) heb ik de Kamer medegedeeld te streven
naar de formulering van een beleidslijn voor de opschaling van mosselzaadinvanginstallaties.
Op 27 februari 2008 heeft mijn departement overlegd met de recreatiesector over het
concept MZI-beleid (2009-2013). Aan de hand van kaarten van de Waddenzee met daarop
aangegeven potentiële locaties waar de MZI’s zouden kunnen worden geplaatst, zijn de
wensen en bezwaren van de recreatiesector geïnventariseerd. Het overleg vond plaats in
het kader van een brede consultatie over het toekomstig MZI-beleid.
Naast het beleidsontwikkelingsproces voor MZI’s loopt een experiment met MZI’s. In dat
kader zijn voor 2008 ontheffingen voor vijf nieuwe experimenten aangevraagd. Deze
hebben de normale vergunningenprocedures doorlopen op grond van de Nb-wet.
In het overleg van 27 februari is echter niet gesproken over de lopende MZI-experimenten.
Dit heeft mogelijk bij de recreatiesector geleid tot het onjuiste beeld dat LNV zonder
overleg steeds meer MZI's in de Waddenzee zou toestaan.
Op 1 oktober jl. heb ik de Kamer geïnformeerd over het beleid inzake de mosselzaadinvanginstallaties
(29684, nr. 72). In de brief geef ik aan dat er overleg zal plaatsvinden
met recreatie- en garnalensector in verband met de ligging van een aantal MZI’s. Dat
overleg heeft plaatsgevonden op 3 oktober jl.. Afgesproken is dat samen naar een nieuwe
locatie voor dit experiment wordt gezocht.
 
4.
Op diezelfde dag in februari werd het concept besproken van het in het Convenant
overeengekomen monitoringplan. Niets in dat concept strookte met de afspraken. De
opdracht was verstrekt in september 2007 met als opleverdatum oktober 2007. Tussentijds
overleg werd door LNV afgewimpeld. De uitkomst is dat het werk opnieuw wordt gedaan
onder toezicht van een werkgroep. De monitoring begint daardoor één jaar later.
In het Toeristisch overleg Waddenzeegebeid (TOW) van 9 oktober 2007 is gemeld dat een
zgn. helpdeskvraag over de opzet van een monitoringplan was uitgezet bij IMARES met als
opleverdatum 10 oktober 2007. Op die datum is het eerste concept opgeleverd.
 
Dit concept is vervolgens vanaf 2008 verder ontwikkeld en besproken met vertegenwoordigers
van regionale overheden en natuurorganisaties op 27 februari en
3 maart 2008. Dit heeft geleid tot een tweede versie die ter advisering is geagendeerd in
de TOW van 19 maart 2008. Toen bleek dat voor deze versie nog geen voldoende
draagvlak bestond, is dit plan niet inhoudelijk besproken.
Onder regie van mijn departement wordt nu gewerkt aan een nieuwe opzet van het
monitoringplan. Bij het opstellen hiervan is een werkgroep betrokken die bestaat uit leden
van de recreatiesector (onder andere de Wadvaarders) en ook natuurbeheerders.
In overeenstemming met de werkgroep heb ik besloten om niet meer in 2008 te starten
met het uitvoering van het monitoringplan. Het concept van dit programma is recent
besproken en op hoofdlijnen lijkt hierover overeenstemming te bestaan bij de convenantpartners.
Ook aan de kant van de Wadvaarders.
 
5.
Concept notulen van vergaderingen komen niet zelden retour waarbij door LNV op
essentiële punten wijzigingen worden geëist die niet met het besprokene overeenkomen.
Bijvoorbeeld inzake de toegezegde verplaatsing van de omstreden MZI‘s.
LNV reageert op conceptnotulen als daar aanleiding voor is. De vaststelling gebeurt tijdens
de volgende vergadering waar iedereen bij aanwezig is. Wat het specifiek genoemde
voorbeeld betreft, heb ik hiervoor aangegeven dat conform eerdere toezeggingen overleg
heeft plaatsgevonden en oplossingen zijn gevonden.
 
6.
Vorige week kwam LNV met het voorstel dat nieuwe artikel 20 gebieden eerst worden
aangeleverd aan de Hydrografische Dienst. Na het drukken van de kaarten kan dan
formeel bezwaar worden gemaakt. (Eerst het huis bouwen, dan de formele procedures
doorlopen). Dit blijkt voor geen van de deelnemers aan het betreffende gesprek
(provincies, alle Waddengemeenten en -eilanden, terreinbeheerders en de gebruikers)
acceptabel.
Bij de opstelling van de leidraad met betrekking tot de toepassing van artikel 20 van de
Nb-wet consulteer ik vertegenwoordigers van belangengroepen. Dit proces is nog in volle
gang en ik acht de stelling dan ook voorbarig.
 
DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,
 
G. Verburg
 

 
Repliek bestuur op brief minister:
 
He bestuur van de Wadvaarders heeft naar aanleiding van een aantal incidenten in het najaar van 2007 en voorjaar/zomer van 2008 een brief geschreven aan de vaste Kamercommissie voor LNV. Die brief werd doorgestuurd naar de minister. Het antwoord van de minister, puntsgewijs, wordt hieronder gepubliceerd.
Inmiddels heeft er op maandag 27 oktober een gesprek plaats gevonden tussen de leiding van LNV-Noord en een delegatie van het bestuur van de Wadvaarders. Aanwezig waren Hendrik Oosterveld, Kees van Es en Wim Schoorlemmer voor LNV en Maarten Snel, Karel Helder en Jan Asselbergs voor de vereniging Wadvaarders.
Naar de mening van Hendrik Oosterveld, directeur LNV-Noord, is een brief aan de vaste Kamercommissie niet de juiste weg om uit de problemen te komen. Het bezorgt het departement veel werk, er zijn betere methoden om problemen uit de wereld te helpen, zoals gesprekken. Repliek van het bestuur is dat de brief juist was geschreven om dat de laatste gesprekken met LNV-Noord geen effect bleken te sorteren. De brief is niet meer dan een samenvatting van de voortdurende knelpunten, die in de gesprekken aan de orde waren geweest.
 
Uit de repliek van de Minister  op de door ons gemelde knelpunten kunnen wij niet anders dan concluderen, dat de brief kennelijk nodig was en ook dat de knelpunten nog niet allemaal uit de wereld zijn. In het gesprek van 27 oktober was ons de inhoud van de brief van de Minister  nog niet bekend, maar wel aan Oosterveld.
 
1.      Uit het antwoord op de artikel 20 gebieden zou je kunnen concluderen dat de Wadvaarders na overleg instemden met de afsluitingen van 2008. Waar de Minister niet op ingaat is dat er NOG STEEDS geen enkele behoorlijk onderbouwde grond is voor die afsluitingen
2.      Wij zullen de ons verstrekte gegevens over het Rif publiceren, iedereen kan dan zelf concluderen of die te beschouwen zijn als een onderbouwing voor een afsluiting van het Rif als Hoogwatervluchtplaats. Naar ons oordeel gaat het slechts om een bonte verzameling getallen. Slechts doordat de gegevens –dus nog steeds zonder onderbouwing- te laat kwamen voor een bezwaar waren wij te laat met ons bezwaar. Er is dus nooit sprake geweest van overeenstemming.
3.      Hoogst opmerkelijk dat zelfs de Minister niet iets van excuses laat horen over het verkeerd plaatsen van een MZI, pal voor de haven van Lauwersoog. Intussen zijn die excuses van de kant van LNV in het gesprek over de MZI’s op 3 oktober wel helder en duidelijk over de tafel gegaan en genotuleerd. De MZI bij Lauwersoog is weg en wordt verplaatst naar een locatie ten oosten van Lauwersoog, aan de zuidkant van de geul.
4.      Precies! Maar ook hier zou een scherper antwoord over de hoogst ongelukkige gang van zaken op zijn plaats zijn.
5.      Juist, maar pas NA klagen ontstond dat overleg.
6.      Ook juist, maar ook pas NADAT het gehele Toeristisch Overleg Waddenzee (TOW) daar overheen viel.
 
De sfeer tijdens het gesprek op 27 oktober klaarde gaandeweg op, maar Oosterveld bleek zich ook geërgerd te hebben over het stuk van Hans Vandersmissen in de Berichten nr. 70. Niet alleen Oosterveld, maar ook Van Es en Schoorlemmer bleken Vandersmissen niet te kennen. Onze conclusie was dan ook dat de heren de ironie in zijn stuk lijken te missen. Wij hebben intussen drie boekjes van zijn hand voor de heren klaarliggen: Wadverhalen, Gezinsverhalen en Milieu, moet dat nou?
 
Verder nodigen wij de heren Oosterveld, Van Es en Schoorlemmer en collega’s van LNV-Noord uit voor een vaartocht in het voorjaar om ze in de gelegenheid te stellen te zien hoe het door hun beheerde gebied er van dichtbij en in de werkelijkheid uitziet. Intussen gaan wij eerder aan de bel hangen als daar aanleiding toe is. LNV gaf aan ook eerder mededeling te zullen doen van wat er met de in de gesprekken gedane toezeggingen gedaan wordt.
Wij houden u op de hoogte.
 
Het bestuur van de vereniging Wadvaarders